woensdag 15 mei 2013

Bruisende Europese literatuurnacht

Gisteravond vond voor de derde keer in Amsterdam de European Literature Night plaats, dit keer in De Brakke Grond. Zeven auteurs uit alle uithoeken van Europa gaven acte de présence en spraken over hun werk, de grote thema's in de literatuur, de positie van de schrijver in hun land of stad, over het vak van schrijven en de moeilijkheden en uitdagingen die ze daarbij tegenkomen.

De avond was een initiatief van EUNIC, de overkoepelende netwerkorganisatie van de buitenlandse culturele instituten in Nederland. 
Het thema van de avond was afgeleid van een van de onderwerpen uit de Essais van de Franse filosoof Montaigne, 'Wij lachen en huilen om hetzelfde'. Twaalf teksten rond dit thema - naast die van de zeven aanwezige auteurs nog vijf andere - zijn gebundeld in een boekje met de titel De smalle grens tussen vreugde en verdriet, uitgegeven door Cossee.

Een fotoimpressie, met dank aan Filip Bloem, Tsjechisch Centrum.






zondag 12 mei 2013

Haïtiaanse schrijfster Kettly Mars writer in residence in Amsterdam

Op uitnodiging van het Nederlands Letterenfonds verblijft de Haïtiaanse schrijfster Kettly Mars een maand in het schrijversappartement aan het Spui in Amsterdam. Vanmiddag stelde ze, op verzoek van de organisatie Read my world, een paar collega-auteurs en andere kunstenaars en journalisten uit Haïti voor. Dat deed ze professioneel, prettig en gedegen. Via een skypeverbinding sprak ze met de schrijfster Evelyne Trouillot, met de radiojournalist Hérold Jean-François, met de schrijver/taalkundige Jean-Ephèle Milcé en met de dichteres Emily Prophète. 


Het is geweldig dat Read my world ons de gelegenheid geeft met een land, een taal, en haar kunstenaars kennis te maken - een land waarin enorm veel mensen analfabeet zijn, een land dat om de haverklap wordt getroffen door natuurrampen, een land dat een lange traditie heeft van dictatorschap. Maar hoe bloeiend is er het culturele leven, hoe actief en inventief zijn de kunstenaars, de musici, de dichters en de romanschrijvers. De wereldberoemde en alom vertaalde auteur Dany Laferrière is er een van de boegbeelden van. 
Maar zijn wij hier wel geïnteresseerd in het verre buitenland? Ik schat dat er een tiental niet gebonden toehoorders waren, vanmiddag in de OBA. Onvoorstelbaar treurig, voor een uitstekend initiatief, dat de vensters opent op de wereld, en dat een vervolg krijgt in september, met een driedaags festival in de Tolhuistuin, een cultureel centrum met potentieel, dat lijdt onder allerhande, technische, vertragende problemen. 

Over de laatst vertaalde roman van Kettly Mars schreef ik twee jaar geleden dit stuk in NRC. Binnenkort is ze in SPUI25 - komt haar beluisteren!


Nirvah Leroy wendt zich, in opperste wanhoop over het lot van haar opgepakte communistische echtgenoot, tot een machtige staatssecretaris in Haïti. Deze realiseert zich dat hij het lot van deze mooie vrouw in handen heeft. Ooit waren vrouwen van haar klasse onbereikbaar voor hem, maar nu 'vertegenwoordigt ze datgene waarnaar meer dan naar al het andere op de wereld zijn begeerte uitging'. Nu heeft hij haar in zijn macht en stelt zich voor hoe hij haar 'ruw zou (nemen), zonder een woord, zich bedwelmend aan haar klachten, genietend van de ontreddering in haar ogen op het moment dat hij klaarkwam'. Macht, onmacht en begeerte - dat zijn de belangrijkste thema's in Wrede seizoenen, de onlangs vertaalde roman van de Haïtiaanse schrijfster Kettly Mars.
Mars is dit jaar een van de laureaten van het Prins Claus Fonds, personen die volgens het fonds allen een 'uitmuntende prestatie op het gebied van cultuur en ontwikkeling' hebben geleverd. Mars (1958, Port-au-Prince) wordt geëerd als een 'krachtige en indringende schrijver die frisse inzichten heeft ten aanzien van de hedendaagse werkelijkheid en een levendig, genuanceerd beeld schetst van de Haïtiaanse maatschappij'.
Nu zijn er op Haïti veel schrijvers die een stem geven aan de historie en aan de recente politieke en klimatologische ellende die het land moet doorstaan. Ieder jaar is er een aantal te gast op het Franse festival Etonnants Voyageurs in St. Malo en sinds kort organiseert de organisatie ook een dochterfestival in Port-au-Prince. Tijdens de voorbereidingen voor het festival van dit jaar vond de verwoestende aardbeving plaats, waarbij ook enkele schrijvers het leven verloren. Dat drama heeft inmiddels tot aangrijpende literatuur geleid, zoals Tout bouge autour de moi van Dany Laferrière en de bundel Pour Haïti (ed.S. Dracius).
De Haïtiaanse literatuur ligt, zo lijkt het, aan het infuus van het dagelijks leven. De verhalen van de Haïtianen gaan bijna zonder uitzondering over het leven van alle dag in Haïti, over geweld, corruptie, chantage, willekeur en verscheurde families. De verhalen zijn vaak even chaotisch, even heftig als de geschiedenis van Haïti zelf.
Legendarisch is bijvoorbeeld Frankétienne, schrijver, toneelschrijver en schilder tegelijk, die zijn hele oeuvre à compte d'auteur liet drukken - een politieke en literaire mythe. Zijn boeken zijn volledig onorthodox, bevatten prozagedichten, kreten, opsommingen en een veelvoud van stemmen waarbij klank en vorm, zo lijkt het, belangrijker zijn dan inhoud of plot. Met alle creatieve middelen waarover hij beschikt vecht hij tegen de misère, tegen de corruptie, tegen degenen die om redenen van persoonlijk gewin de heropbouw en de vooruitgang belemmeren.
Ook zijn collega Lyonel Trouillot, die net als Frankétienne, ondanks de gevaren waaraan schrijvers in Haïti blootstaan, het land nooit verliet, schreef, in het Frans en in het Creools, een belangrijk oeuvre bij elkaar. Met zijn recente roman, La belle amour humaine, wat toegankelijker dan zijn eerdere werk, greep hij dit jaar net naast de prix Goncourt. De meest spraakmakende auteur uit Haïti is ongetwijfeld de eerder genoemde Dany Laferrière. Zijn werk is verrassend, vernieuwend, satirisch en vaak erg geestig. Ook andere bekende in het Frans schrijvende auteurs uit Haïti - er zijn ook Haïtiaanse auteurs die in het Engels schrijven, zoals Edwige Danticat - zoals Marie-Cécile Agnant, Yanick Lahens en Evelyne Trouillot, blijven dichtbij de verwarrende ervaring van de hedendaagse Haïtiaan.
Waar binnen dit panorama bevindt zich de gelauwerde Kettly Mars en haar roman Wrede seizoenen? Saisons sauvages is haar vierde roman uit 2010, een boek met een plot, dat een verhaal vertelt op de Amerikaanse manier. Bij haar geen taal-, vorm- of ritme-experimenten, geen humor of uitgesproken poëtisch taalgebruik, zoals bij andere Franstalige Haïtiaanse auteurs. 
Mars schreef eerst poëzie en debuteerde in 2003 met Kasalé, een roman over natuur, spiritualiteit en ongrijpbare lokale tradities. Eerder dit jaar publiceerde ze, samen met collegaschrijver Leslie Péan Le prince noir de Lillian Russell, een roman over de gelijknamige vaudeville-ster, gesitueerd in het 19e eeuwse New York.
In Wrede seizoenen vertelt ze over de cruciale vragen waarvoor haar vrouwelijke hoofdpersoon, Nirvah Leroy, wordt gesteld als haar man Daniel door het dictatoriale regime van Duvallier wordt opgepakt. De machtige staatssecretaris beschikt over diens leven en ook over dat van haar en haar twee kinderen. Het is haar lichaam dat hij begeert, het mooie lichaam van een mulattin waarvan hij vroeger, voordat hij aan de macht kwam, alleen maar kon dromen. Ze wordt zijn obsessie, zijn leven en zijn zwakke plek. Al snel is alleen haar lichaam hem niet genoeg: hij eigent zich haar 15-jarige dochter toe en uiteindelijk ook nog het onschuldige jongenslijf van haar zoon. Nirvah levert, bewust of onbewust, haar hele gezin uit aan een bezeten man.
Dan vertroebelt de tegenstelling goed versus kwaad. De dictator uit de onderste lagen van de bevolking, die er genoegen in schept zelf martelingen uit te voeren blijkt in staat tot liefde en ontpopt zich zelfs tot een belezen amateurhellenist die de zoon van zijn gevangene helpt bij het leren van zijn Griekse grammatica. Nirvah van haar kant ziet mettertijd de goede kanten van haar verkrachter en wordt verscheurd tussen schuldgevoel en genot.
Het vergt nogal wat van de lezer om met deze wendingen mee te gaan. Mars schetst met vaardige hand de gruwelen van de dictatuur, die een vrouw zonder man aan haar zijde moet doorstaan. Ze kan een verhaal vaart geven. Maar de diepgaande morele dilemma's waar het haar om te doen moet zijn geweest weet ze niet overtuigend met de lezer te delen.



Kettly Mars: Wrede seizoenen. Vertaald door Marianne Kaas. De Geus/Novib, 

zaterdag 11 mei 2013

Nacht van de Europese Literatuur, 14 mei 2013


De smalle grens tussen vreugde en verdriet

Op dinsdag 14 mei organiseert EUNIC voor de derde keer de Nacht van de Europese literatuur. De avond vindt plaats in de Brakke Grond. Voertaal: Engels.
'Hoe we wenen en lachen om hetzelfde' (Comme nous pleurons et rions d'une même chose). Met de titel van dit essay van de Franse filosoof en schrijver Michel de Montaigne als leidraad, zijn twaalf auteurs uit heel Europa ingegaan op het verzoek een essay, een kort verhaal, of een ander stuk proza te schrijven. Zeven van hen zijn ook daadwerkelijk aanwezig: Laurent Binet (Frankrijk), Jáchym Topol (Tsjechië), Marcel Beyer (Duitsland), Krisztina Tóth (Hongarije), Laura Sintija černiauskaité (Litouwen), Nihan Kaya (Turkije) en Marja Pruis (Nederland). Zij gaan in gesprek met Margot Dijkgraaf, literatuurcriticus, directeur van Academisch-cultureel Centrum SPUI25 en auteur van o.a. De pen van Europa (interviews met Europese schrijvers).





Alle teksten worden verwerkt in een muzikale performance van acteurs Hendrik Willekens (België), Rob List (VS), Eva Susova (Tsjechië) en Dennis Deter (Duitsland). De Nederlandse vertalingen van de twaalf teksten worden gebundeld in een boek dat bij Uitgeverij Cossee verschijnt. De andere auteurs die meewerkten aan deze publicatie zijn: Constantin Göttfert (Oostenrijk), Nicolas Ancion (België), Etgar Keret (Isarël; Gustavo Martín Garzo (Spanje) en Christophe Vekeman (België).
Wie doen er mee?
Laurent Binet (1972) debuteerde met HhhH, waarvoor hij in 2010 de Prix Goncourt du Premier Roman ontving. HhhH (Himmlers hersens heten Heydrich) werd in meer dan twintig landen vertaald, ontving zeer lovende kritieken en werd ook in Nederland een bestseller. Laurent Binet bracht zijn militaire dienst door in Slowakije en woonde in Praag. Hij is docent Frans aan de universiteit in Seine-Saint-Denis. Voor zijn tweede boek Niets gaat zoals verwacht, volgde hij maandenlang de Franse presidentskandidaat François Hollande, die uiteindelijk de verkiezingen won.
Jáchym Topol (1962) geldt als de belangrijkste Tsjechische schrijver van de laatste twintig jaar. Na eerst twee dichtbundels te hebben gepubliceerd, kwam zijn doorbraak in 1994 met de roman Zuster, een epos waarin hij op zijn eigen unieke wijze beschrijft hoe na de fluwelen revolutie in 1989 de tijd explodeerde. Voor deze roman kreeg Topol de Egon Hostovský-prijs. Vrij snel verwierf hij ook, door vertalingen in het Engels en Duits, internationale bekendheid. In 2001 kwam zijn roman Nachtwerk uit, een magisch realistisch verhaal over een jonge jongen ten tijde van de inval in 1968 van troepen van het Warschaupact in Tsjechoslowakije, waarmee een einde kwam aan de Praagse lente. Nachtwerk is het eerste boek van Topol dat, in 2003, in het Nederlands verscheen. Later volgden nog de vertalingen van Spoelen met teerzeep (2006), Het gouden hoofd (2007) en De werkplaats van de duivel (2010), dat op de shortlist belandde van de Europese literatuurprijs 2011. In Tsjechië is Topol met dit laatste boek onderscheiden met de Jaroslav Seifert-prijs. Topol wordt vaak wel de jongste klassieke schrijver van Tsjechië genoemd. Zijn werk is inmiddels in meer dan vijftien talen verschenen.
Krisztina Tóth (1967) is schrijver, dichter en literair vertaler. Krisztina Tóth is een van de bekendste Hongaarse auteurs van dit moment. Ze begon haar literaire carrière als dichter, maar de laatste jaren heeft ze veel succes geoogst met haar prozabundels. Haar werk wordt gekenmerkt door een subtiele combinatie van sterke visuele elementen, intellectuele reflectie en grote empathische betrokkenheid bij alledaagse scenes, die zij met een paar woorden haarscherp kan neerzetten. Zij is met diverse prijzen bekroond (o.a. Gravesprijs, Attila József-prijs, Máraiprijs, Lauwerkrans van de Republiek Hongarije). Haar werk is in vele talen vertaald; haar gedichten zijn in het Nederlands verschenen in het literair tijdschrift Kluger Hans (2011) en in diverse bloemlezingen. Krisztina Tóth woont met haar echtgenoot en zoon in Boedapest, waar ze zich naast de literatuur ook bezighoudt met glas-in-lood-kunst.
Laura Sintija černiauskaite (1976 ) is een proza- en toneelschrijfster met tot nu toe zeven boeken op haar naam. Černiauskaite studeerde regie aan de Litouwse Muziek Academie maar stapte al snel over naar Litouwse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Vilnius. Sinds 1998 werkt zij als freelance journaliste en als redacteur voor verschillende tijdschriften, waaronder “Malonumas” (Genot) en “Tavo Vaikas” (Jouw Kind). Haar eerste boek met korte verhalen schreef ze terwijl ze nog op de middelbare school zat en in 1993 werd ze door de Litouwse Schrijversbond onderscheiden voor het beste “Eerste Boek”. Haar debuut als toneelschrijfster volgde in 2000 met het stuk Kumeliukas (Veulen). Als jonge dramaturg heeft zij zichzelf bewezen in de theaterfestivals Bonner Biennale enTheatertreffen en in 2009 ontving ze voor haar boek Kvepavimas i marmura (Breathing into Marble) de Literatuurprijs van de Europese Unie. Haar proza grenst de esthetiek van het hoge modernisme met veel aandacht voor de onzichtbare interacties tussen man en vrouw. Zij schrijft met bijna psychologische aandacht vermengd met speelse ironie en zachte erotiek. Haar boeken zijn vertaald in o.a. het Italiaans, Bulgaars en Duits, en een gedeelte van het in 2008 verschenen Benedikto slenksčiai (Benedictus’ mijlpalen) in het Nederlands. Laura Sintija Černiauskaite woont en werkt in Vilnius en is sinds 2004 lid van de Litouwse Schrijversbond.
Marcel Beyer (1965) woont en werkt sinds 1996 in Dresden. Hij heeft talrijke romans, gedichtenbundels, verhalen en essays gepubliceerd, zijn nieuwste boek is het verhalenbundel Putins Briefkasten (2012). Zijn roman Kaltenburg (2008) werd ook vertaald naar het Nederlands en verscheen in 2009 bij Uitgeverij Cossee onder de titel De nacht dat het dode kraaien regende. Voor zijn werk ontving Marcel Beyer vele prijzen, onder andere de Heinrich Böll-prijs (2001), de Hölderlin-prijs (2003) en de Joseph Breitbach-prijs (2008). Hij was writer in residence aan het University College in London en aan de University of Warwick in Coventry, en in 2010 werd hij onderscheiden met een beurs voor de Villa Massimo in Rome.
Marja Pruis (1959) is schrijver, criticus, redacteur en columnist van De Groene Amsterdammer. Ook maakt zij de boekenrubriek voor LINDA. Met haar debuut De Nijhoffs of de gevolgen van een huwelijk (1999) toonde zij zich een onorthodox schrijversbiograaf. Haar romans Bloem (2002), De vertrouweling (2005) en Atoomgeheimen (2008) ontvingen nominaties voor De Gouden Uil, de AKO Literatuurprijs en de Anna Bijns Prijs. Haar essayistische werk Kus me, straf me. Over lezen en schrijven, liefde en verraad(2011), haalde de shortlist van de AKO Literatuurprijs. In haar meest recente boek, Als je weg bent. Over Patricia de Martelaere, komen drie van haar hoedanigheden samen, die van biograaf, literair criticus en journalist.
Nihan Kaya (1979) begon op haar negentiende verhalen en literaire teksten te schrijven die werden geplaatst in verschillende tijdschriften. Haar eerste roman verscheen in 2003. Haar tweede boek, Çati kati (Zolder), kreeg de prijs van De Turkse Schrijversvereniging (‘Türkiye Yazarlar Birligi’). Nihan Kaya is nog steeds de jongste ontvanger van deze literaire prijs. Kaya, die wordt gerekend tot de vooraanstaande Turkse schrijvers, schreef zes boeken in het Turks. Zij heeft Engelse Letterkunde gestudeerd aan de Bosporus Universiteit. Zij promoveerde in Engeland aan de Universiteit van Essex, aan het Centrum voor Psychoanalytische Studies. De schrijfster die opvalt door de psychologische diepgang in haar verhalen en romans nam deel als spreker aan internationale conferenties op het gebied van literatuur en psychologie en schreef artikelen. Kaya schreef het eerste deel van Dreaming the Myth Onwards, een boek waaraan verschillende auteurs meewerkten en dat verscheen in 2008 bij de London Routledge Publishers. Het onderwerp van haar proefschrift, dat zij schreef toen zij verbonden was aan het King’s College London bij vergelijkende literatuurwetenschap, was ‘kunstzinnige energie’.
Meer over EUNIC
"EUNIC is het internationale netwerk van de nationale cultuurinstituten. Op dit moment zijn alle 27 EU-landen lid. ""EUNIC Netherlands vertegenwoordigt de nationale cultuurinstituten in Nederland en versterkt de reikwijdte van deze organisaties, onder andere door het aanjagen van gezamenlijke projecten en het onderhouden van een internationaal netwerk. Inmiddels telt EUNIC Netherlands de volgende leden: British Council, Goethe Institut, Vlaams Cultuurhuis de Brakke Grond, Wallonie-Bruxelles International, Istituto di Cultura Italiano, Instituto Cervantes, Institut Français, Ambassade van Oostenrijk, Finnish Cultural Institute, Deens Cultureel Instituut, Litouws Cultureel Centrum, Tsjechisch Centrum, Romanian Cultural Institute, Hongaarse Ambassade, Poolse Ambassade, Ambassade van Malta, Ambassade van Cyprus, Alliance Français, Embassy of Ireland, Embassy of Cyprus, Embassy of Greece, SICA Stichting Internationale Culturele Activiteiten. Ook is er een aantal geassocieerde leden zoals
Yunus Emre Institute (Turkije) en Embassy of Israel, en als permanente gast de Europese commissie.

www.debrakkegrond.nl


maandag 6 mei 2013

Prix Tulipe - Nederlandse prijs voor de beste Franse roman


Amsterdam, 6 mei 2013



PERSBERICHT

In juni 2013 zal voor het eerst de Prix Tulipe worden uitgereikt. Het is een prijs voor de beste Franstalige roman die door zeven grote literaire prijzen in Frankrijk is bekroond. De prijs heeft tot doel de diversiteit en de kwaliteit van hedendaagse Franstalige romans te laten zien en voor een breed Nederlands leespubliek onder de aandacht te brengen.

De door een deskundige Nederlandstalige jury geselecteerde Franstalige roman zal in het Nederlands worden vertaald. Bij verschijnen van de Nederlandse vertaling zal de auteur worden uitgenodigd naar Amsterdam te komen.

De prijs is een initiatief van het Institut Français des Pays-Bas en Margot Dijkgraaf, literair critica en directeur van SPUI25, en zal worden gerealiseerd in samenwerking met Nederlandse uitgevers.

De prijs zal jaarlijks worden uitgereikt.

In juni van dit jaar lanceert het Institut Français bovendien een nieuwe website, waarop regelmatig nieuws over recente Franse literatuur zal worden gepresenteerd. www.franseliteratuurvannu.nl


Voor meer informatie: Danielle Bourgois : danielle.bourgois@institutfrancais.nlTel. 020-5319535

donderdag 18 april 2013

Louise O. Fresco, Joep Leerssen, Marja Pruis, Willem Schinkel en Peter Venmans genomineerd voor Jan Hanlo Essayprijs 2013




De jury van de Jan Hanlo Essayprijs 2013 heeft dit jaar vijf essaybundels genomineerd. Dat is meer dan gebruikelijk. De nominaties gaan naar Louise O. Fresco, Joep Leerssen, Marja Pruis, Willem Schinkel en Peter Venmans. Ook zijn er drie genomineerden voor de Essayprijs voor nog niet gepubliceerde essays. Voor een derde onderdeel van de prijs, de Jan Hanlo Media-essayprijs - deze keer het filmessay –, zijn 20 mededingers.

De jury, bestaande uit Geert Buelens, Xandra Schutte en Arjen van Veelen, onder voorzitterschap van Margot Dijkgraaf, maakte een keuze uit ruim 110 ingezonden essaybundels uit 2011 en 2012. De jury roemt de kwaliteit van de gepubliceerde bundels en laat haar waardering blijken door niet drie maar vijf bundels te nomineren. Genomineerd zijn Louise O. Fresco met ‘Hamburgers in het paradijs’ (Prometheus), Joep Leerssen met ‘Spiegelpaleis Europa’ (Van Tilt), Marja Pruis met ‘Kus me, straf me’ (Nijgh & Van Ditmar), Willem Schinkel met ‘De nieuwe democratie’ (De Bezige Bij) en Peter Venmans met ‘Het derde deel van de ziel’ (Atlas).

Eerdere winnaars van de prijs waren o.a. Rudy Kousbroek, Roel Bentz van den Berg, David van Reybrouck en (in 2011) Joke Hermsen.

De jury boog zich ook over ruim 40 inzendingen voor de Essayprijs voor nog niet gepubliceerde essays. Genomineerd zijn Daan Stoffelsen met ‘Waarschuwingen, ravijnen en ziekenhuisgebouwen’, het schrijversduo Jan Truijens Martinez / Anouk van Kampen met ‘Alles wat al gezegd is’ en Ruth Lasters met ‘Alice’s valsnelheid’.

In 2013 wordt voor de tweede maal een prijs uitgereikt voor een media-essay. Dat is dit jaar een filmessay. De jury bestaat uit Coco Schrijber, Peter Delpeut en Dirk van der Straaten, onder voorzitterschap van BarBara Hanlo. Zij maken een keuze uit ruim 20 inzendingen.

De uitreiking van de prijzen is op dinsdag 21 mei 2013 in Theater de Balie in Amsterdam, en vindt plaats in samenwerking met de SLAA.

De Jan Hanlo Essayprijs wordt gesponsord door Stichting LIRA (Literaire Rechten Auteurs).
(bron persbericht JHEP)

maandag 15 april 2013

Sex sells - van riscovol protest tot ludieke speeltuin. Over Sara Stridsberg, Nicholson Baker, Céline Minard en Atiq Rahimi.




‘Een gat in de markt’ luidde de mooie dubbelzinnige kop boven een stuk van Elsbeth Etty in NRC Handelsblad van 21 september. In dat artikel maakte ze gehakt van Vagina. A New Biography van de Amerikaanse feministe Naomi Wolf. ‘Kut met peren’, luidde haar oordeel. Alles wat het feminisme van de jaren 1970 had bereikt, werd volgens Etty door Wolf bij het oud papier gezet: Wolf ging terug in de tijd door te verklaren dat vrouwelijke seksualiteit werd bepaald door ‘basale neurologische bedrading’, niet door cultuur, opvoeding of wat dan ook.
Dat NRC zo groots uitpakte met de bespreking van dit boek – opening op de eerste twee pagina’s van de boekenbijlage met een enorme afbeelding van een ondubbelzinnig zwart driehoekje op ware grootte – past in de trend, die de kop uitstekend verwoordt. Het vrouwelijke geslachtsorgaan verkoopt, de vrouwelijke lust laat de kassa rinkelen. De Vagina Monologen trekt volle zalen, Fifty Shades of Grey van E.L. James, koningin van de vrouwelijke softporno, voert al maandenlang de bestsellerlijsten aan. De eerste imitatie, Bared to You, van Sylvia Day werd in alle Nederlandse kranten groot besproken. Alain de Botton kreeg na het verschijnen van zijn essay Let’s talk about sex nog veel meer vragen en reacties dan op welk van zijn eerdere boeken ook. Vochtige streken (2008) van Charlotte Roche ging vlot over de toonbank en Het seksuele leven van Catherine M. van Catherine Millet, het boek dat wel als koploper van de nieuwe trend gezien mag worden, werd tien jaar geleden al een wereldwijde bestseller.
Over het literaire gehalte van bovengenoemde titels is relatief weinig te berde gebracht. Er valt ook weinig over te zeggen. Daar gaat het immers niet om. Het gaat om commercie, trendsetting, om het inspelen op de tijdgeest: openheid en transparantie is bon ton, alles in het openbare leven – reclame, televisie, commercie – staat bol van de verwijzingen naar en beelden van seksualiteit. Er is maar weinig dat louter tot het privédomein behoort, alle geheimen, persoonlijk of niet, worden vroeg of laat openbaar. Sterker nog, het geheim bestaat eigenlijk niet meer. Bijna alle taboes zijn – in het Westen althans – geslecht. Ook seks is gewoon geworden.
Wat betekent dat voor de schrijver en vooral voor de schrijfster? En voor de literatuur? Hoe verwoordt een hedendaagse auteur seksualiteit nu ze alomtegenwoordig is geworden? Dat was het onderwerp van een rondetafeldiscussie afgelopen juni in Lyon, tijdens de jaarlijkse Assises Internationales du Roman. Drie uiteenlopende schrijvers waren er uitgenodigd: Nicholson Baker (Verenigde Staten), Céline Minard (Frankrijk) en Sara Stridsberg (Zweden).
Nicholson Baker, geboren in New York in 1957, studeerde filosofie, is schrijver en musicus en docent poëzie. Hij schrijft romans en verhalen en bestrijkt een breed spectrum, van historische romans tot politieke essays. Maar hij staat ook bekend als een ‘dirty book writer’. Het is lastig in de grote, uitermate verlegen en snel blozende schrijver een pornografisch auteur te ontdekken, maar toch is hij de man die in 1992 Vox publiceerde, een boek over telefoonseks via de ‘babbelbox’. In The Fermata (1994; De fermate, 1994) verzon hij een man die over een bijzondere gave beschikt: hij is in staat de tijd in de ‘pauzestand’ te zetten, tijd die hij vervolgens gebruikt om vrouwen uit te kleden en zich hun erotische leven voor te stellen. In 2011 verscheen House of Holes, een ronduit pornografische roman met een hoog absurdistisch gehalte. ‘Een seksueel pretpark’ – daar droomde Baker vroeger van, een huis vol gaten waar je allerlei lichaamsdelen in kwijt kunt, een knop op je afstandsbediening waarmee je precies die behoeften kunt laten vervullen die je op dat moment bevangen. Het is een ronduit krankzinnig boek, een seksuele variatie op Alice in Wonderland, vol taalspel en vreemde fantasie. House of Holes onderscheidt zich duidelijk van andere pornografie: in zijn pornoparadijs geen geweld, geen misbruik, geen aids, geen wreedheid, geen dwang. Seks is een spel, meer niet, het maakt iedereen gelukkig. ‘Waarom?’ schrijft Baker, ‘omdat ik vind dat de pornografie zich helemaal op het verkeerde spoor bevindt. Ze is somber, smerig, uitzichtloos, drijft op onderbuikgevoelens. Ik vond dat ze een injectie nodig had van een beetje bovennatuurlijkheid, wat fantasie en absurdisme en vooral, een beetje humor.’
Die combinatie is inderdaad meestal afwezig. Pornografisch schrijven is vaak gelieerd aan een vorm van geweld, dwang en duistere werelden, zelden tot nooit aan humor of een vreugdevol bestaan. Het seksuele leven van Catherine M. van Catherine Millet, sec en klinisch opgeschreven, mag dan een vertelster hebben die zich geheel vrijwillig aan haar mannen overlevert, de roman geeft bepaald geen beeld van een vrouw die geniet van haar leven. Ze is vrij, ze bepaalt haar eigen keuzes, maar humor? – nee. Het seksuele leven van Catherine M. is een seksuele autobiografie, een genre waarvan Catherine Millet zich de pionier mag noemen. Minutieus, realistisch en afstandelijk doet zij het opwindende seksuele leven van haar alter ego uit de doeken. Hoeveel echtgenoten is een vrouw eigenlijk toegestaan? vroeg ze zich als kind af. Later, als minnares en gulzig deelneemster aan seksuele orgieën in de jaren zestig en zeventig, raakt ze de tel kwijt – voorgoed. Millet beschrijft en benoemt haar seksuele handelingen, vangt ze, zoekend, in woorden. Dat doet ze zonder obsceen te worden, zonder in perversie te vervallen en zonder sadisme of troebele gevoelens – op een nieuwe manier, in een nieuwe taal.
Strijd om macht, in dit geval seksuele macht, is een belangrijk thema in het boek. De vertelster is een spin in een seksueel web, bij machte om genot te verschaffen of niet. Haar alter ego neemt vaak een passieve houding in, maar weet daar wel voordeel uit te halen. In seksuele relaties is het, bij Millet, niet noodzakelijkerwijs degene die zich lijkt te onderwerpen, die machteloos is. Ze speelt ook met het thema van de femme fatale, die de psyche van de man aan zich onderwerpt. Millet was zich er goed van bewust dat ze, als vrouwelijke auteur, een van de laatste taboes doorbrak. Ze zette haar vrouw-zijn in en dat was ook zeker een doorslaggevend element in de enorme publiciteit dat het boek ten deel viel.
Hoe gaat de jongere generatie schrijfsters daarmee om? Vinden zij dat zij, als vrouw, op dat punt een verantwoordelijkheid hebben, zit daar een uitdaging? De twee vrouwen die in Lyon op het podium zaten, Céline Minard (1969) en Sara Stridsberg (1972), vonden dat in ieder geval niet. Sterker nog – ze vonden het een onzinnige vraag. Minard, een ongewoon talent in de Franse literatuur, auteur van acht boeken in acht jaar, gebruikt vocabulaire waarbij ook een Fransman naar het woordenboek moet grijpen, en is in alle opzichten ontregelend. Haar recentste roman, So long Louise, is een kruising tussen een sprookje waarin allerlei vreemde figuren opduiken, een absurdistische roman en een testament: een tachtigjarige vrouw kijkt terug op haar leven en laat haar bezit achter aan de veel jongere vrouw met wie ze haar leven heeft gedeeld. De (lesbische) seksualiteit is een klein, vanzelfsprekend onderdeel in het totale mozaïek. Wat Minard bezighoudt is niet de seksualiteit tussen mensen, maar de seksuele intertekstualiteit, de bevruchting tussen de teksten onderling. In haar boek speelt ze met de monoloog van Molly Bloom uit Ulysses. Fragmenten met erotische lading laat ze terugkomen in haar eigen boek, getransformeerd, geparafraseerd en op een andere manier geseksualiseerd. ‘So long Louise baise avec Ulysse,’ aldus Minard.
Sara Stridsberg kon zich goed vinden in deze definitie. Ook haar werk is doordrenkt van referenties aan boeken van illustere voorgangers: Vladimir Nabokov, Gertrude Stein, Marguerite Duras. Haar roman, in het Frans voorzien van een Engelse titel, Darling River, bevat maar weinig darlings. Haar personages balanceren op de rand van de afgrond, ze zwerven, zijn ieder kompas kwijt en wanhopig op zoek naar de zin van hun leven. Een vader en zijn dochter rijden iedere nacht een willekeurige route, hij rijdt en drinkt, zij slaapt op de achterbank. Een man in een dierentuin raakt geobsedeerd door een vrouwtjeschimpansee met wie hij de liefde wil bedrijven, en zo zijn er nog enkele personages die het roer kwijt zijn. Incest, geweld, pedofilie, een totaal gebrek aan moraal, kindertijd als een bron van ellende – dat zijn de kernthema’s in deze donkere roman. Alles echoot de onuitgesproken, drukkende seksualiteit uit de romans van Marguerite Duras. ‘I can hear the Pacific Ocean,’ zei Stridsberg, ‘the Atlantic, the Mekong River running through the words. It is the same movement, ebb and flow, concentration, vertigo, breathing, a blind pulse of desire working beyond reason and logic.’
Voor Minard en Stridsberg is schrijven over seks geen doel op zich, ze willen niets laten zien, ze hoeven niets te bewijzen. Seksualiteit is gewoon een onderdeel van hun schrijven, beweren ze – inderdaad, net zoals je over de natuur schrijft, een karakter laat zien, een dialoog opzet. Niets bijzonders. Een bijzondere verantwoordelijkheid omdat ze vrouw zijn? Onzin! Ze leven nu, en willen helemaal niet geplaatst worden in een vrouwelijke traditie. Dat mag dan zo zijn – de seksualiteit in deze romans is, als vanouds, gelieerd aan misère, aan onderdrukking, aan het kwaad in de mens. De personages die deze schrijfsters opvoeren bevinden zich aan de zelfkant van de maatschappij, het zijn bijna zonder uitzondering ontspoorde figuren, levend in een bij uitstek gewelddadige wereld. Minard en Stridsberg verkennen vooral hun eigen innerlijke universum, hun eigen fantasmen.
Onlangs verscheen bij Les Editions de la Transparance de bundel La violence au féminin, samengesteld door Claude Benoit, verbonden aan de Universiteit van Valencia. Het boek bevat een aantal essays over geweld in het werk vrouwelijke toneelschrijvers, filmmakers en romanschrijvers. Geweld en seksualiteit blijken, bijna zonder uitzondering, onderling verbonden. In haar openingsessay laat Lydie Salvayre, auteur van een oeuvre waarin geweld in vele hoedanigheden voorkomt, overtuigend zien dat literatuur en geweld op zich al een onverbrekelijk duo zijn. Ze citeert een groot aantal auteurs. Mallarmé: ‘Er is geen betere bom dan een boek.’ Dostojevski: ‘Je moet schrijven met een zweep in je hand.’ Nietzsche: ‘Schrijf met je bloed en je zult leren dat het bloed je geest is.’ Kafka: ‘De literatuur is een bijl die de bevroren zee in ons breekt.’ Literatuur is intrinsiek gewelddadig, schrijft Salvayre, omdat zij de taal ter discussie stelt. Wie de taal ter discussie stelt, stelt alles ter discussie: de politiek, de moraal en de seksualiteit.

Geldt een dergelijke stelling ook voor niet-westerse auteurs? Welke aanpak hanteert in dit kader bijvoorbeeld de in het Frans schrijvende Afghaanse auteur Atiq Rahimi (1962)? Hij kreeg voor zijn indrukwekkende roman Syngué sabour. Pierre de patience in 2008 de prix Goncourt. Ook deze roman, in 2009 in het Nederlands vertaald door Kiki Coumans als Steen van geduld, draait om macht, vrouwen en seksualiteit – thema’s die in de Afghaanse samenleving natuurlijk zeer beladen zijn. Een enorm verschil dringt zich op: terwijl westerse auteurs een eigen universum creëren en naar hartelust en in vrijheid hun fantasmen vormgeven, laat Rahimi ons de realiteit van een andere, keiharde, gewelddadige wereld zien die niets met fantasie te maken heeft.
In zijn stijl blijft Rahimi dicht bij de orale traditie van de Afghaanse Pashtun-poëzie, de eeuwenlang voornamelijk door vrouwen gezongen korte gedichten over thema’s als liefde, eer en dood. Zijn taalgebruik is eenvoudig, ingetogen, sober, poëtisch en vooral filmisch van aard. Het is een stijl die past bij het onderwerp van zijn boek, dat een ode is aan de Afghaanse vrouw. Een vrouw, ‘ergens in Afghanistan of elders’, waakt bij haar man die in coma van een missie is teruggebracht, een kogel in zijn nek. Het huis bevindt zich midden in een gebied waar gevochten wordt, haar buren worden gemarteld en onthoofd. Ze brengt haar dochtertjes onder bij haar tante en blijft zelf waken bij het lichaam van haar man. Dagenlang herhaalt de vrouw mechanisch de gebeden die de imam haar heeft opgedragen. Ze geeft zichzelf de schuld van het coma waarin haar man zich bevindt. Totdat ze zich bewust wordt van het leven dat ze tot dan toe heeft geleid: ze is vernederd en mishandeld door haar vader, uitgehuwelijkt en in de echt verbonden zonder dat haar echtgenoot aanwezig was en sindsdien als slaaf gebruikt door haar schoonfamilie. Toen haar man eenmaal arriveerde, behandelde hij haar louter als slaaf en seksueel object. Koud en ongenaakbaar ligt hij nu voor haar, als was hij haar ‘syngué sabour’. In de Afghaanse legende is dit een ‘geduldsteen’, waaraan je je zorgen en ellende, je pijn en verdriet kan toevertrouwen. De steen neemt die verhalen in zich op totdat hij op een dag uit elkaar spat. Op dat moment ben je definitief van je zorgen verlost.
Stukje voor stukje vertrouwt ze haar man, die daar als een steen ligt, haar geheimen toe. Ze vertelt hem over haar angst, haar zorgen, haar eenzaamheid. Ze vertelt hem hoe vernederd ze zich voelde wanneer hij haar beval zich te bedekken met een ‘verberg je vlees!’. Ze vertelt hem over haar tante, die, omdat ze toch geen kinderen kon krijgen, werd uitgehuwelijkt aan een man die haar misbruikte – tot ze hem de hersens in sloeg. De vrouw vertelt haar echtgenoot dat er in het begin van hun huwelijk geen kinderen kwamen omdat hij steriel is, en niet zij, zoals hij verkondigde. Om niet mishandeld en verstoten te worden, vond ze een oplossing: ze sliep met een ander en kreeg kinderen. Maar hij is niet hun vader.
Macht en seksualiteit zijn, in deze roman, in deze samenleving dus van een heel ander kaliber. In overeenstemming daarmee is ook de stijl veel minder barok, veel minder uitgelaten dan die van de eerder besproken romans. Rahimi’s stijl is sober, vloeiend, filmisch – hetgeen de roman meer impact geeft. Bij hem geen breed uitgeschreven verhaallijn, geen halve pathos, bovennatuurlijke personages, figuren die hun seksuele escapades uitvergroten, maar soberheid, suggestie en een cinematografische blik.
In een interview dat ik met Rahimi had in het Institut français in Amsterdam, vertelde hij waarom hij deze roman had geschreven. In 2005 was hij door een vijfentwintigjarige getalenteerde dichteres uitgenodigd voor een literaire ontmoeting in Afghanistan. Een week voor het evenement hoorde hij dat de bijeenkomst was afgelast wegens de dood van de dichteres. Ze was vermoord, door haar man. De zaak werd gezien als een familieaangelegenheid, de man werd niet vervolgd. Dat is het lot van vrouwen in grote delen van de wereld, zei Rahimi, ‘daarom heb ik deze roman geschreven. Pas als de man verlamd is, voor dood ligt, kan de vrouw zich uiten. Dan pas kan ze haar hart openen, over haar ellende spreken, haar verlangens en haar dromen.’
Macht en seksualiteit zijn, zoveel is duidelijk, belangrijke literaire thema’s in de hedendaagse literatuur. In niet-westerse literatuur nemen romans vaak stelling, ook als het om machtsverhoudingen en seksualiteit gaat. Het maakt dat soort boeken tot een risicovol protest, een kritiek en reflectie op de misstanden in de maatschappij, een schreeuw en een aanklacht. In de hedendaagse literatuur in het Westen, waar nauwelijks meer taboes gelden, is seksualiteit, en met name die van de vrouw, vaker een ludieke speeltuin voor de obsessies van het individu – en bovendien lekker winstgevend.

Dit artikel verscheen eerder in Armada. Tijdschrift voor Wereldliteratuur, december 2012


maandag 8 april 2013

Dijkgraaf interviewt Dulce Maria Cardoso, Christos Chryssopoulos en Use Lahoz


Op het Passaporta festival in Brussel sprak ik met drie auteurs over de plaats van de verbeelding in een Europa in crisis. Die krijgt weinig plaats - daar kwam het op neer. Van de Portugese schrijfster Dulce Maria Cardoso verscheen in het Nederlands onder andere Violeta en de engelen (Meulenhoff), de Spaanse auteur Use Lahoz schreef De dromer (Karakter) en van de Griek Christos Chryssopoulos is nog niets in het Nederlands vertaald, maar wel in het Frans. Zijn 'Atheense kroniek' Une lampe entre les dents geeft een indringend beeld van het veranderende Athene in tijden van crisis en een steeds gewelddadiger nationalisme.













De Europese literatuur bloeit - ook of misschien wel juist in tijden van crisis.