vrijdag 30 augustus 2013

Emmanuel Carrère krijgt Europese Literatuurprijs 2013



Op zaterdag 31 augustus, ontving de Franse schrijver Emmanuel Carrère op Manuscripta de Europese Literatuurprijs 2013. Zijn vertaalsters Katelijne De Vuyst en Katrien Vandenberghe, verantwoordelijk voor de Nederlandse versie van Limonov, delen in de prijs én in de eer.
Op 1 september treedt Carrère op in SPUI25. Zie www.SPUI25.nl 

Voor foto's zie http://www.parool.nl/parool/nl/2848/FOTO/photoalbum/detail/3501801/462393/0/Literatuurprijs-uitgereikt-aan-Emmanuel-Carrere.dhtml#photo


In maart 2012 schreef ik over het toen nog onvertaalde boek in NRC de volgende recensie:

Hoeveel mensen hebben er met eigen ogen kunnen constateren dat  de wasbakken van 'Eurogoulag', een Russisch strafkamp aan de Wolga, precies dezelfde zijn als die in een duur hotel in New York, ingericht door topdesigner Philippe Starck? Niet veel. Misschien maar één: Edouard Limonov, geboren op 2 februari 1943, vlak voor het leger van Hitler capituleerde aan de oevers van de Wolga. Het is een van de redenen waarom Emmanuel Carrère vele jaren wijdde aan het leven van deze Rus die opgroeide in de gewelddadige gangs van een dorp in de Oekraïne, clochard werd en huisknecht van een miljardair in New York, maar ook dichter, schrijver, gevierde ster in Parijs, huursoldaat, oprichter van een politieke partij geïnspireerd door bolsjewistisch, facistisch én nazistisch gedachtegoed, echtgenoot, vader en gevangene in de beruchtste gevangenissen van Rusland.



'Ik kan u daar een goed verhaal over vertellen', schrijft Emmanuel Carrère regelmatig in zijn nieuwe boek. Dan volgt het relaas van een overval op een Moskouse nachtclub, een illustratie van het megalomane karakter van zijn hoofdpersoon, een profetische uitspraak van zijn moeder, Ruslandspecialiste, of hij introduceert weer een nieuwe markante figuur in zijn caleidoscoop van de Russische recente geschiedenis.
Verhalen vertellen - dat kan Carrère. Hij liet het al zien in De sneeuwklas (1995) en Op drift (1986), romans waarin de waanzin toeslaat, identiteiten aan diggelen gaan en de werkelijkheid het gezicht krijgt van een nachtmerrie. In De tegenstander (2000) sleepte hij de lezer mee in zijn fascinatie voor de man die achttien jaar een dubbelleven leidde en op het moment dat dat aan het licht dreigde te komen zijn hele familie vermoordde. Langzaam liet de schrijver het fait divers los: in Een Russische roman (2007) duidde hij zijn morbide obsessie met moord, opsluiting en waanzin en bevrijdde hij zich van zijn eigen demonen. Dat was duidelijk te merken in Andere levens dan het mijne (2011), een schitterend persoonlijk boek, dat wel autobiografisch is, maar met Carrère als 'subjectieve getuige' en niet als onderwerp én lijdend voorwerp.
Langzaam ook legde Carrère zijn verbeelding aan banden, werd hij meer en meer rapporteur van wat hij zag en meemaakte. Hij verbeeldde niet meer van binnenuit de waanzin van een figuur in wie hij helemaal opging, maar deed, in woord en beeld, verslag: van de ellende op het  Russische platteland bijvoorbeeld. Hij observeerde het gedrag van vrienden nadat een tsunami hun kind had meegesleurd of verwoordde zijn eigen gevoelens na de dood van zijn zus. Hij werd minder romanschrijver en meer non-fictie auteur:  de toevoeging 'roman' is op het Franse origineel dan ook verdwenen, 'echt gebeurd' kan er nu met grote letters op de omslag staan - gevoel voor de tijdsgeest kan Carrère niet worden ontzegd.
Nu hoeft er bij een boek over Limonov ook weinig verbeelding aan te pas te komen: hij leefde zijn leven zodat het vereeuwigd kon worden. Vooral de eerste 100 bladzijden zijn een absoluut leesgenot, zelfs al heb je nog nooit van de hoofdpersoon gehoord. Carrère sleept je zijn verhaal binnen, overdondert je met zijn charme en zijn hoogstpersoonlijke aanpak. Vrienden van de vermoorde Russische journaliste Anna Politkovskaja maken hem, op reportage in Moskou, nieuwsgierig naar de huidige naam en faam van Limonov. Hij herinnert zich hoe de Russische schandaalauteur in de jaren '80 door de Parijse jetset werd omarmd. 'Limonov was onze barbaar, onze boef: we droegen hem op handen'; hoe de bewondering omsloeg in afschuw toen hij zich aan de kant van de Serviërs schaarde en daadwerkelijk deelnam aan de gevechten op de Balkan. Zijn imago van charmante avonturier veranderde in één klap in dat van oorlogsmisdadiger. Geen Rus die het hem kwalijk neemt, constateert Carrère, die alom wordt gefeliciteerd als hij twee weken lang met Limonov mag optrekken: 'het was of ik tegelijkertijd Houellebecq, Lou Reed en Cohn-Bendit kwam interviewen, wat een geluksvogel was ik!'.
Het is, kortom, vooral de avontuurlijke kant van Limonov als schelm die Carrère verleidt: de man heeft maar één streven, beroemd worden, een held zijn: in de jongerengangs waar hij opgroeit, in de underground, in de literatuur, op het slagveld, in de politiek. Én in de gevangenis: 'want voor wie zichzelf ziet als romanheld, is de gevangenis een hoofdstuk dat niet kan onbreken'. Op ieder milieu raakt hij na een tijdje uitgekeken, hij moet en kan beter. Zijn boeken draaien maar om één onderwerp: zijn eigen leven. Vervelend vindt hij vooral de mannen die het echt maken, Joseph Brodsky, Alexander Solsjenistin, Vladimir Poetin. Al die bewondering van het publiek voor dat soort figuren leidt maar af van degene die het meest bewonderd moet worden, hijzelf. . Interessant is Carrères analyse van Limonovs oppositie ten aanzien van Poetin. Ze hebben dezelfde sociale achtergrond, hebben het patriottisme met de paplepel ingegoten gekregen, deelden wantrouwen tegen de perestroika en beschouwen de ineenstorting van het communisme als de grootste catastrofe van de 20 e eeuw. Limonov en Poetin - ze lijken op elkaar, ze zijn stoer, macho, ze houden van macht. Met één verschil: Poetin is geslaagd in het leven, Limonov niet. Die laatste rest slechts een rol van actievoerder in de marge. Vandaar Carrères keuze voor het motto van Poetin, voorin zijn boek.
Eenvoudig is het niet, schrijft Carrère, het is ingewikkeld om het leven van één man te verbinden met meer dan een halve eeuw roerige, Russische geschiedenis en hij schrijft  juist, 'om die complexe situatie te ontvouwen'. Dus laat Carrère niet alleen alle mogelijke kanten zien van Limonov, waarbij hij zich vooral baseert op diens eigen werk, maar schetst hij een uitgebreid panorama van alle milieus waarin deze verzeild raakt, inclusief hoofd- en bij- en randfiguren. Het leidt soms tot een doolhof waarin Ariadnes draad bij tijd en wijle ontbreekt, terwijl de hoofdpersoon, middenin dat labyrint, zich steeds pathetischer op de borst staat te kloppen.
Uiteindelijk kan Limonov het opbrengen om één vraag te stellen aan die Franse schrijver die hem daadwerkelijk zal vereeuwigen: waarom schrijft Carrère eigenlijk een boek over hem? Carrère antwoordt dat hij het leven van Limonov geweldig vindt, romanesk en gevaarlijk. 'Une vie de merde, ja', bijt de held hem toe, een rotleven kortom.

Emmanuel Carrère: Limonov.(Ed. P.O.L.) Vertaald door Katelijne de Vuyst en Katrien Vandenberghe, De Bezige Bij Antwerpen, 352 blz., 24,95 €.





zondag 21 juli 2013

Adieu, Gaëtan Soucy

Vorige week werd bekend dat de Frans-Canadese auteur Gaëtan Soucy op 54-jarige leeftijd is overleden. Het was een bijzondere schrijver van een klein, intens en gruwelijk oeuvre. Ik heb hem een aantal keer ontmoet, zowel in Montréal waar hij woonde, als in Amsterdam, waar hij een paar keer kwam om een vertaling te promoten. Een gedreven man, die bevlogen kon spreken over filosofie, over literatuur. Maar vooral een getourmenteerd man die tot de nok vol gevuld was met angst, existentiële angst, angst voor eenzaamheid, angst voor de dood. Het gat van zijn angst was zo groot dat het door niets en niemand te vullen was. Hij rookte, hij dronk. Veel. Hij was wanhopig op zoek naar vervulling, naar redding, zocht overal en bij iedereen naar 'le salut'. Tevergeefs.


Zijn literaire oeuvre is een universum vol verminkte kinderen, die een harteloze opvoeding krijgen, met uit elkaar gerukte tweelingen, vuur, as en de wurggreep van de rooms-katholieke kerk. In De Onbevlekte Ontvangenis betreden we een verwrongen gedachtenwereld over een man wiens vader bij een brand om het leven kwam. Sindsdien is zijn bestaan beheerst door waanzin, angst en tucht, een discipline die hem heeft onmenselijkt. Net als veel andere Soucy-personages eindigt hij als een wassen pop in handen van degenen die de macht hebben, internaten besturen, het lot van door verdriet waanzinnig geworden moeders bepalen en weeskinderen in een tehuis stoppen. Het kwaad heeft vrij spel. Zijn beroemdste boek is Het meisje dat te veel van lucifers hield, een gruwelijk boek, dat Soucy zelf helemaal niet deprimerend vond.
In een interview dat ik in maart 2004 met hem had vroeg hij mij of ik dan niet bang was. ,,Iedereen is bang te bestaan, bang te verliezen. Ik lijd zelf aan paniekaanvallen. Je moet de moed hebben de angst in de ogen te kijken en te accepteren. Het onvermogen om wezenlijk contact te hebben met de ander, echt tot hem door te dringen, heeft daar veel mee te maken.  Ik zou graag een geruststellend persoon willen zijn. Dat probeer ik ook als docent filosofie. Schrijven is voor mij precies datgene naderen wat mij de meeste angst inboezemt. Het is een manier om mezelf van die fataliteit te bevrijden. Mijn boeken hebben me geholpen een beter mens te worden.’’
Wellicht zijn het zijn boeken geweest die hem de meeste troost hebben geboden. Adieu, cher Gaëtan.

Het interview hieronder had ik met hem in februari 2004, het verscheen in NRC.

Fel en gepassioneerd zijn de reacties op de romans van Gaétan Soucy, één van de grootste literaire talenten uit Québec. ‘Exceptionnel’, schreef men in Montréal, ‘gruwelijk prachtig’, vond men in Parijs. Een Leidse boekhandel trok zijn uitnodiging aan de auteur in omdat men dit niet bij de clientèle kon aanprijzen, maar vanuit New York liet Arnon Grunberg weten dat hij ervan had genoten eindelijk eens een roman in handen te krijgen die hij niet meteen begreep (CS, 13 februari j.l.). Grunberg las Het meisje dat te veel van lucifers hield, een vervreemdende roman over een familietragedie in Québec. Onlangs verscheen de Nederlandse vertaling van Soucy’s vierde roman Music Hall!.
,,Ik schrijf boeken die erom smeken geschreven te worden’’, zegt Gaétan Soucy (45), schrijver en filosoof, terwijl hij de zoveelste sigaret opsteekt. ,,Het verhaal dringt zich aan mij op. Kindertijd, het ongeluk van de mens – het zijn thema’s die ik niet uitkies, maar waarvan ik ook zelf steeds constateer dat ze in mijn werk zitten.’’ Dat zijn hoofdpersonen vaak gekwelde, mishandelde kinderen zijn, is bepaald niet omdat hij daar genoegen aan beleeft. ,,Weet u, ik heb grote moeite met ‘het zijn’. De meeste mensen vinden het moeilijk dit of dat te doen, maar ‘er zijn’ levert ze geen problemen op. Dat vind ik juist erg moeilijk. Vooral het lijden vind ik onverdraaglijk. Er is niets schandaliger dan een vernietigde, gepijnigde jeugd. Daarom worden mijn romans misschien door kinderen bevolkt.’’
Van jongs af aan wist Soucy dat hij schrijver zou worden. Hij realiseerde zich dat dat een veeleisend beroep was en koos voor een solide vooropleiding in de vorm van studies natuurkunde, astrofysica en filosofie. Sinds jaren doceert hij filosofie aan de Universiteit van Montreal en ook zijn romans zijn doordrenkt met filosofische verwijzingen. ,,Wittgenstein is als persoon veel interessanter dan als filosoof. Bij hem herkende ik dezelfde moeite met ‘het zijn’. Het vreemde is dat hij zijn leven lang heeft gezegd dat spreken over ‘het zijn’ gelijk staat met niets zeggen. Wittgenstein las ik omdat ik ervan houd tegen mezelf in te gaan. Zelf word ik meer aangesproken door ontologie, door metafysica, door de filosofie van Descartes.’’
Vraag je naar Descartes, dan is Soucy niet snel uitgepraat: ,,Descartes heeft willen zeggen dat de werkelijkheid niet bestaat uit wat voor ons staat, uit wat zich meteen aan je opdringt of uit wat we kunnen aanraken. Dat is een naïeve misvatting. De werkelijkheid heeft de vorm van een lange zoektocht, die meteen bij de geboorte begint met een grote vergissing. Eerst is er die almachtige weldoener die van u houdt op een dermate innige manier dat u met haar samensmelt. Als u vier bent, heeft u de stellige overtuiging dat het universum om u draait. U houdt aan die periode een nostalgie over waarvan u nooit meer geneest. Later herkent u in de liefde datzelfde gevoel van samensmelting, maar u komt geheid van een koude kermis thuis. Het leven doet ons geloven dat we belangrijk zijn, dat we in een ander kunnen opgaan – wat een misvatting! Om de waarheid te naderen, moet je een lange tocht afleggen. Je moet hem veroveren, zei Descartes en wel op zo’n revolutionaire wijze dat hij de vader werd van de moderne filosofie. Descartes heeft zich in één keer willen ontdoen van de vergissingen, van de leugens.’’
Een andere gangbare misvatting betreft het imago van de filosoof, als zou dat iemand zijn die voortdurend met zijn hoofd in de wolken loopt. ,,Juist mensen die zich niet voor filosofie interesseren, leven niet in de werkelijkheid. Die zoeken de vergetelheid! Ik verafschuw het idee dat literatuur onderhoudend moet zijn. Literatuur is geen vermaak! Mensen houden zich hun hele leven bezig met vermaak, met fictie, met irrealiteit. Ze leven in een vergissing.’’
,,Eén van de hardste teksten die ik ooit heb gelezen is die van Heidegger over de dood, in Sein und Zeit. Maar die moeilijke en pijnlijke bewustwording ten aanzien van de dood leverde me een groot gevoel van bevrijding op. Je moet niet verkrampen, niet weigeren in de kloof te kijken die ons aan alle kanten omgeeft. Je moet er juist in durven kijken, niet bang zijn.’’
Toch bevinden Soucy’s personages zich in het oog van de angst. Ze schreeuwen het juist uit! ,,Ben u soms niet bang?’’ reageert Soucy. ,,Iedereen is bang te bestaan, bang te verliezen. Ik lijd zelf aan paniekaanvallen. Je moet de moed hebben de angst in de ogen te kijken en te accepteren. Het onvermogen om wezenlijk contact te hebben met de ander, echt tot hem door te dringen, heeft daar veel mee te maken.  Ik zou graag een geruststellend persoon willen zijn. Dat probeer ik ook als docent filosofie. Schrijven is voor mij precies datgene naderen wat mij de meeste angst inboezemt. Het is een manier om mezelf van die fataliteit te bevrijden. Mijn boeken hebben me geholpen een beter mens te worden.’’
Soucy heeft nooit begrepen dat er mensen zijn die Het meisje dat te veel van lucifers hield somber vinden of deprimerend. ,,Het meisje redt het, ondanks alle ellende. Haar levenslust voert haar naar liefde, naar tolerantie, naar respect voor de ander. Het is ook een feministisch boek: een meisje eigent zich de boeken en de woorden van haar vader toe. Ze wordt zichzelf door een eigen taal te verzinnen. Als dat nog niet ontroerend is!’’
Veel is er geschreven over het barokke taalgebruik van de vertelster en over haar vreemde benamingen voor gewone dingen. Het blijken zinnen te zijn die Soucy optekende uit de mond van zijn dochter. ,,Tot mijn dochter vijf jaar was, woonden wij in Japan. Daarna leerde ze Frans en bracht ze de Japanse grammatica over op haar nieuwe taal. Die zinnen vielen regelrecht in mijn schrijversoor. Ze zei bijvoorbeeld als ze zich niet lekker voelde: Je suis tout de travers dans ma santé. Dat zeg je in het Frans niet zo, maar in het Japans wel.’’
In de zojuist vertaalde, dikke roman Music-Hall! brengt Soucy weer een vreemde, onrustbarende, wrede wereld in kaart. Het boek is gesitueerd in een slopersmilieu in New York, aan het begin van de jaren twintig van de vorige eeuw, een universum waar de gangbare regels van logica, ratio en emotie net zomin gelden als op de boerderij uit Soucy’s eerdere roman. Xavier, een jongeman die niets heeft van het vereiste stevige postuur van een sloper, liever sla eet dan worst en door zijn collega’s bijna de dood in wordt gepest, vindt tussen de puinhopen een doosje met een kikker, die, als je de deksel opent, een lied zingt en erbij danst. Het is een magisch moment in de verder flinke misère waarin Soucy zijn personages ook dit keer neerzet.
Vijftien jaar werkte Soucy aan de roman. ,,Het boek bevat veel verschillende genres, die toch binnen één kaft moesten passen. Het is bijvoorbeeld tegelijkertijd een picareske roman en een tragedie. Ik heb wiskundige schema’s gemaakt om die genres met elkaar te kunnen verzoenen. Ik herinner me nog precies wanneer ik het idee voor dit boek kreeg. Ik was 26 en wist dat ik op aarde was om schrijver te worden, maar ik had nog niets laten zien. Toen zag ik A froggy night, een drie minuten durend filmpje van de Warner Brothers over een man die een doosje open doet, waarin een zingende kikker zit en daarmee miljoenen denkt te verdienen. Die man werkte bij de sloop. Daarmee had ik alle elementen van het boek dat ik wilde schrijven: het fantastische en de sloop, met alles wat dat symboliseert.’’
Ook deze jongen is een volledige buitenstaander, een naïveling die leeft in zijn dromen, een ontroerend, kwetsbaar personage. ,,Al mijn personages zijn intelligent, maar ze zijn niet geschoold. Dat maakt ze interessant. Ze zien de dingen zoals ze zijn. Ze zien dat het wezen van de onderlinge menselijke relaties bestaat uit macht. Dat vinden ze onacceptabel. Ik houd van pure mensen. En dus schep ik zuivere personages, die dicht bij hun kern, hun wezen blijven.’’


Gaétan Soucy: Het meisje dat te veel van lucifers hield. En: Music Hall!
Vert. door Han Meijer. Querido.


dinsdag 16 juli 2013

Zomerboek: De preek over de val van Rome van Jérôme Ferrari

De Goncourt 2012 is uit in een Nederlandse vertaling. Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre hebben uitstekend werk verricht - het is bepaald geen makkelijk boek om te vertalen. Het taalgebruik van Jérôme Ferrari in De preek over de val van Rome kent vele registers, van religieus en bijbels tot scabreus, poëtisch en hoogdravend, zijn zinnen beslaan niet zelden meer dan enkele pagina's. Hij rijgt zinnen met komma's aan elkaar, schrijft nauwelijks dialogen, heeft een groot gevoel voor ritme en speelt met alle tijdsvormen (terugblikken, vooruitblikken) die je je maar kunt voorstellen. Maar ook in het Nederlands is het boek uitstekend leesbaar. Voor mijn gevoel is het register iets anders, iets toegankelijker, wat naar beneden bijgesteld. En dat kan geen kwaad bij een boek dat op mij in het Frans, in eerste instantie nogal pretentieus overkwam.



Ferrari kreeg in het najaar van 2012 de Goncourt. Zijn zesde roman speelt zich grotendeels op Corsica af. De auteur, tegenwoordig verbonden aan het Institut Français van Abu Dhabi, doceerde er na zijn studie filosofie aan een lyceum in Ajaccio en werd, zo vertelde hij aan Le monde, twee jaar lang gegrepen door de nationalistische geest die er al decennia op het eiland heerst. Hij vertaalde in die tijd ook twee romans uit het Corsicaans naar het Frans.
De twee hoofdpersonen uit Ferrari's boek zijn jongens die in Parijs gaan studeren, ontdekken dat hun hart daar niet ligt, hun studie aan de wilgen hangen en terugkeren naar Corsica, waar ze, in the middle of nowhere, een bar openen. Hun ziel en zaligheid stoppen ze in het runnen van die bar, ze investeren, nemen goed uitziende, single door het leven gaande bardames aan voor de klandizie en weten van hun dorp de best lopende toeristische trekpleister van het eiland te maken. Zelf nemen ze het er ook van, drank, seks, binnenstromende pecunia - het lijkt niet op te kunnen. Maar Corsica blijft Corsica: al snel ligt er een revolver binnen handbereik achter de bar.
De nationalistische strijd uit de jaren 90, het geweld tussen rivaliserende groepen en de aanslagen die prompt met nieuwe aanslagen werden beantwoord zijn niet direct onderwerp van de roman. Ze vormen er wel de achtergrond van. Ferrari ziet het groot: het mini-imperium van de bar op Corsica staat voor Rome, voor Frankrijk, voor het Franse koloniale rijk, nee: voor alle koloniale imperia en voor héél Europa. Imperia gaan ten onder en zo gaat ook de harmonie in het Corsicaanse minikoninkrijkje scheuren vertonen. Ruzie om geld, om vrouwen, rivaliteit, jaloezie, vreemde blikken van buiten, verschillende toekomstvisies - ze gooien roet in het eten en leiden uiteindelijk tot de onontkoombare catastrofe die je al vanaf de eerste bladzijde voelt aankomen.
De titel van de roman, De preek over de val van Rome verwijst naar de preek van kerkvader Augustinus over de val van Rome, in 410. Een bar op Corsica vergelijken met Rome op het toppunt van haar macht - je moet het maar durven. De val en plundering van Rome legt Ferrari uit als een waarschuwing van God. Ieder hoofdstuk opent hij met een citaat uit diens preek, in het laatste hoofdstuk legt de auteur - voor wie het nog niet helemaal heeft begrepen - nog eens helemaal uit wat dat nu precies was, de val van Rome, hoe hij al die referenties in zijn roman nu bedoeld heeft. Er hangt een doem over de mensheid, er voortekenen van het einde, de Apocalyps is niet ver meer. Europa, berg je maar.
Ook Ferrari's andere personages refereren aan werelden die op hun laatste benen lopen en die inmiddels ten onder zijn gegaan: Indochina, Algerije, het hele voormalige koloniale rijk van Frankrijk is immers, na met bloed en te zwaard te zijn veroverd en verdedigd, roemloos verdwenen - met alle littekens van dien. De Franse functionarissen in het boek zijn 'niet gekomen om beschaving te brengen', - nee, die hebben ze zelf niet eens gekend -, maar om eindelijk 'het leven te leiden dat (ze) verdienen'. En nu zitten ze daar 'in dat koninkrijk van barbaarse droefenis aan het uiteinde van het Imperium'. Hun vrouwen sterven, hun eigen lichaam rot weg in het tropische klimaat van Indochina of Afrika. Ze zien hoe het imperium ineenstort, doem en verderf is overal.
,,In de jaren 90 raakte Corsica ook steeds leger", vertelde Ferrari vorig jaar voor de microfoon van France Culture, ,,er vielen veel doden, mensen trokken weg, er bleven steeds meer vervallen en verlaten dorpen over. Het cliché van Corsica is gewoon waar. Daarom voegen mijn personages zich ook naar dat cliché. Hun lot is onontkoombaar, hun wereldje gaat ten onder".
Daar ben je als je het boek dichtslaat geheel van doordrongen. Ferrari legt het nog eens uit, door aan het eind Augustinus' preek gedeeltelijk uit te schrijven. Stervend in zijn kathedraal denkt hij aan zijn eigen preek terug: de mensen werden er toen niet door getroost. Pas nu, nu zijn eigen doodsklok slaat begrijpt hij waarom. Een mens wordt niet getroost door algemeenheden over ondergang en opkomst van werelden.
Het boek is een roman vol historisch besef die een dreigende brug slaat naar het heden, met een zwarte ondertoon, een roman die zich niet aan je geeft, maar die je moet veroveren - en daar geven de vertalers ons alle gelegenheid toe.

Jérôme Ferrari: De preek over de val van Rome. Vertaald door Reintje Ghoos en Jan Pieter van der Sterre. De Bezige Bij.


dinsdag 18 juni 2013

Eerste prix Tulipe voor Zwitser Joël Dicker


Amsterdam, 18 juni 2013

Juryrapport prix Tulipe 2013

De Franse literatuur bruist, vernieuwt zich voortdurend, is veelzijdig, divers en open naar de wereld. De prix Tulipe wil die diversiteit en de kwaliteit van de Franse literatuur van nu laten zien aan een breed Nederlands leespubliek en daartoe ook Nederlandse uitgevers attent maken op goede literatuur uit Frankrijk. De prix Tulipe is daarom niet alleen een jaarlijkse prijs voor een roman die – bij wijze van bekroning -  in het Nederlands zal worden vertaald. Hij is ook gekoppeld aan een nieuwe website waarop regelmatig nieuws over recente Franse literatuur zal worden gepresenteerd: www.franseliteratuurvannu.nl

Op de longlist staan drie titels, in alfabetische volgorde:

Peste & choléra van Patrick Deville
Biografische schets over Alexander Yersin, een Franse wetenschapper uit het team van de beroemde microbioloog Pasteur en de ontdekker van de pestbacil. Deville maakte een schitterend, origineel en geestig portret van deze ontdekkingsreiziger, bioloog, astronoom, geograaf, zeevaarder, architect, brievenschrijver en de man die als eerste fietste.

 La vérité sur l'affaire Harry Quebert van Joël Dicker
Een ongekend spannend boek over een schrijver met een writers block en een oude moord, met een snelle opening, een flinke dosis suspense en een troebele liefdesgeschiedenis. De Zwitser Joël Dicker bestudeert Amerika, het plattelandsleven en de uitgeverswereld, en geeft in zijn page turner en passant tips voor startende schrijvers weg.

Notre-Dame du Nil van Scholastique Mukasonga
Prachtig geschreven portret van een meisjesschool aan de bron van de Nijl, in de binnenlanden van Rwanda, een miniatuurgemeenschap waar zich de etnische spanningen al aankondigen die even later het hele land in vuur en vlam zouden zetten. Knappe debuutroman van een jonge Tutsi-schrijfster die ontsnapte aan de raciale moordpartijen in haar vaderland.

Een trio dat heel verschillend is. Een trio bestaande uit boeken die volgens de jury allemaal interessant zouden zijn voor een Nederlands publiek. Drie romans die het zouden  verdienen in het Nederlands vertaald te worden. Drie gedreven auteurs met passie voor hun onderwerp, die op wat voor wijze dan ook een brug slaan naar het hier en nu. Drie maal een eigen invalshoek, drie maal een persoonlijke visie
Waar de een historisch of cultureel vergezicht opent, excelleert de ander juist in spanning of poëtische metaforen. Terwijl de ene tekst geestig is en geschreven alsof de duivel de auteur op de hielen zit, is de andere eerder reflectief of zelfs  schokkend. In onderwerp en in stijl verschillen deze romans enorm. Al lezend komt er een staalkaart aan stijlen voorbij, van poëtisch tot wetenschappelijk, van hartstochtelijk tot quasi-onderkoeld, van informatief tot lyrisch. In het ene boek vind je passages met alleen dialogen, in een ander tref je er geen enkele aan. In het ene boek vind je veel metaforen, in het andere geen een. Hoezeer deze auteurs ook verschillen in de benadering van hun onderwerp, in stijl, toon en register, ze zijn zonder uitzondering uitstekend geschreven. Ieder boek roept een eigen universum op, een wereld met eigen wetten, een eigen kleur en een eigen stem.
Toch kon de jury maar één titel bekronen met de eerste prix Tulipe. Maar één boek kon door ons beloond worden met een vertaling in het Nederlands. De prix Tulipe 2013 gaat naar een roman die op het eerste gezicht helemaal niet Frans is. Een roman die, als je de cover bekijkt, eerder Amerikaans aandoet. Een boek dat de vloer aanveegt met de clichés die in Nederland af en toe de kop opsteken als het over Franse literatuur gaat. Een roman die je in één keer wilt uitlezen. Een roman die ongetwijfeld ooit in de bioscoop te zien zal zijn, zó filmisch is hij opgeschreven. Een roman die spanning heeft én kwaliteit en zo meer is dan een misdaadroman. Een roman die de dwaalwegen van de menselijke geest verbeeldt en een kritische blik op de waanzin van de commercie ventileert. Een boek tenslotte dat een venijnige analyse van een vredig ogend dorp combineert met een ironische blik op het schrijverschap.  

De prix Tulipe 2013 gaat naar La vérité sur l'affaire Harry Quebert van de Zwitserse auteur Joël Dicker.


Voor meer informatie: danielle.bourgois@institutfrancais.nl



zaterdag 8 juni 2013

Echt gebeurd - autobiografische familieroman van Delphine de Vigan

Een roman is fictie, maar in Frankrijk steeds minder. Dat is kort gezegd een van de belangrijkste trends in de Franse literatuur van de laatste jaren. De roman is het populairste literaire genre - dat is in Frankrijk niet anders dan elders in Europa. Populairder dan het essay, poëzie of toneel. Maar wat is een roman? Wie kan hem nog definiëren? De roman is zo elastisch als wat, heeft een enorme vitaliteit, schreef de auteur Philippe Forest op de website BibliObs, de roman absorbeert alles, integreert grote en kleine verhalen van allerlei soort, hij vreet alle andere genres op.
Sinds het ontstaan van de roman in de 19e eeuw (Balzac, Flaubert) werd de kern ervan gevormd door fantasie, verbeelding, wat het hart uitmaakte van een roman was wat niet direct uit de werkelijkheid kwam. Dat nu lijkt in Frankrijk definitief passé. De roman zoekt steeds meer een verhouding tot de waarheid en de werkelijkheid, staat steeds dichter bij de persoonlijke ervaring, bij de realiteit en het fait divers. De lezer wil een 'roman vrái', schrijft Forest, en geen 'vrai roman', met andere woorden een roman die op de werkelijkheid is gebaseerd en niet puur uit de verbeeldingskracht van de schrijver komt. Literaire non-fictie zouden we hier misschien zeggen, een term die in Frankrijk geen gangbare equivalent kent. Maar ook dat etiket dekt bij lange na niet alle boeken die in Frankrijk gemakshalve als 'roman' worden bestempeld. Nou ja gemakshalve - verkooptechnisch is wellicht een beter woord, aangezien de roman verreweg het genre is dat het best verkoopt.
Biografie, autobiografie, autofictie, enquête, herinneringen, non-fictie - alles is in Frankrijk 'roman': het relaas van Sylvain Tesson die een half jaar doorbracht in de wouden van Siberië, het autobiografische verslag van de verwoestende tsunami in Sri Lanka van Emmanuel Carrère, Echenoz' inkijkje in de levens van de componist Ravel en zijn karakterschets van de legendarische hardloper Emil Zátopek, allemaal romans, maar allemaal tevens 'echt gebeurd'. Het vreselijke, koel neergeschreven incestverhaal van Christine Angot, de reconstructie van een moord in de banlieue van Morgan Sportès, het boek over de affaire Fritzl in Oostenrijk van de hand van Régis Jauffret - allemaal gebaseerd op de realiteit, op onderzoek, allemaal subjectieve getuigenissen en op documenten gebaseerde boeken. Allemaal 'roman'.
Dat staat ook op de omslag van Niets weerstaat de nacht, het onlangs vertaalde boek van de Franse (scenario-) schrijfster Delphine de Vigan. Verzonnen is er maar heel weinig in dit boek. Na de zelfmoord van haar moeder heeft de schrijfster een uitgebreid onderzoek gedaan naar haar moeders leven, haar jeugd, de oorzaak van haar waanzin, de redenen voor haar korte opname in een psychiatrische inrichting. Ze interviewde haar moeders broers en zussen, beluisterde haar grootvaders bandopnames waarin hij zijn leven samenvatte, bekeek alle fotoboeken van de familie en reconstrueerde de familieweekends. 'Ik zocht, onderzocht, zwoegde, deed ontdekkingen, bracht dingen aan het licht, besteedde uren aan het lezen en herlezen, aan het bekijken van films, foto's ik stelde steeds dezelfde vragen, en ook andere', schrijft Vigan. Een groot gezin, veel gezelligheid, een vrolijk en intens familieleven van vrijzinnige mensen, grote onderlinge verbondenheid - dat is de mythe. De werkelijkheid is anders. Achter de mythe schuilen intens verdriet over dodelijke ongelukken, gevoelens van haat, overspel, sterke vermoedens van incest en meerdere gevallen van zelfmoord.



Delphine de Vigan wilde haar moeder 'eer bewijzen, haar een papieren doodskist aanbieden'. Ze maakt ons deelgenoot van de obstakels die ze daarbij tegenkomt. Net als bijvoorbeeld Laurent Binet in HhhH onderbreekt ze haar verhaal om van een afstandje de wording van haar eigen boek te beschouwen en de lezer deelgenoot te maken van haar twijfels, van de momenten waarop het schrijven stokt, van het commentaar dat haar geliefde geeft op wat ze heeft geschreven. Soms kan ze niet verder, vraagt ze zich af waar ze mee bezig is, soms is ze 'de bezieling' kwijt, is er alleen maar 'een reusachtige vermoeidheid of een gigantische moedeloosheid'. Dan realiseert ze zich dat schrijven 'niets vermag', dat 'het hooguit de mogelijkheid biedt vragen te stellen en bij het geheugen te rade te gaan'. Op zoek naar de waarheid? Wat een illusie. Ze heeft alleen maar 'losse stukjes en alleen al ze ordenen leverde fictie op. Wat ik ook zou schrijven, het zou een verzonnen verhaal zijn'. Maar steeds komt 'de obsessie' met het onderwerp boven, steeds drijft die passie haar verder.
Af en toe realiseert ze zich de impact van haar verhaal: 'over je familie schrijven is zonder enige twijfel de beste manier om er ruzie mee te krijgen'. Daar weet menig schrijver van mee te praten, ook de laatste jaren heeft menig Frans auteur een familielid of een voormalige vriend(in) voor de rechter moeten treffen. En inderdaad, als lezer kun je je voorstellen dat haar familie op zijn zacht gezegd niet blij moet zijn geweest. 'Heb ik het recht te schrijven dat mijn moeder en haar broers en zussen allemaal op enig moment in hun leven (of hun leven lang) gekwetst, kapotgemaakt zijn, geestelijk uit hun evenwicht werden gebracht (..) dat ze hun familie met zich hebben meegedragen als een brandmerk? Heb ik het recht te schrijven dat Georges een vader was die schade aanrichtte, kapotmaakte en vernederde? (..) dat hij met sommigen van zijn dochters betrekkingen onderhield die je op z'n minst verdacht kunt noemen?'  Dat recht heeft Delphine de Vigan zich toegeëigend. Ze heeft persoonlijke redenen om de vraag met 'ja' te beantwoorden: 'Ik schrijf dit boek omdat ik (..) wil weten wat ik doorgeef, omdat ik wil ophouden bang te zijn dat ons iets overkomt..'. Ze wil de geërfde demonen analyseren en op afstand houden, begrijpen waar ze uit voortgekomen is en zichzelf beter begrijpen.
Als lezer bekroop mij regelmatig de vraag: waarom zou ik dit willen weten? Dit gaat mij niet aan, houd het voor jezelf. Maar meer dan een half miljoen Fransen kochten het boek, ze wilden het wél weten, ze schreven massaal brieven naar de auteur. Nieuwsgierigheid? Herkenning? Het verlangen achter de façade te kijken, te weten hoe de buurvrouw eraan toe is? Dit is 'echt gebeurd', wisten haar lezers, dit is het échte leven.
Ook al lijkt wel een roman.

Delphine de Vigan: Niets weerstaat de nacht. Vertaald door Jan Versteeg. De Geus. 442 blz. Prijs € 21,90






donderdag 6 juni 2013

Shortlist Europese Literatuurprijs bekend - leestips voor de zomer!

De shortlist voor de Europese Literatuurprijs 2013 is tijdens een feestelijke avond in SPUI25 in Amsterdam bekendgemaakt. De jury selecteerde, uit de longlist van 21 vertalingen, vijf titels die in aanmerking komen voor de prijs. De prijsuitreiking zal op 31 augustus plaatsvinden, tijdens de Uitmarkt in Amsterdam.

De volgende vijf titels zijn genomineerd (in alfabetische volgorde op naam van de auteur):
  • Mr Gwyn van Alessandro Baricco, vertaald uit het Italiaans door Manon Smits (De Bezige Bij)
  • Limonov van Emmanuel Carrère, vertaald uit het Frans door Katelijne De Vuyst en Katrien Vandenberghe (De Bezige Bij Antwerpen)
  • Liefde van Karl Ove Knausgård, vertaald uit het Noors door Marianne Molenaar (De Geus)
  • Coupé No6 van Rosa Liksom, vertaald uit het Fins door Annemarie Raas (Podium)
  • De verliefden van Javier Marías vertaald uit het Spaans door Aline Glastra van Loon (J.M. Meulenhoff)
Enkele overwegingen van de jury bij de selectie van de shortlist:
Alessandro Baricco weet met Mr Gwyn een inkijkje te geven in het domein van de creatie, hij schept een universum waarin met minimale middelen op superieure wijze de verbeelding van de lezer wordt aangesproken.

In Limonov geeft Carrère een origineel en zeer overtuigend beeld van de Russische schrijver en halve revolutionair Limonov, dat tegelijkertijd in schrille kleuren de wanhoop van het huidige Rusland schetst.
Liefde van Karl Ove Knausgård is een diepgravende en fascinerende autobiografische roman over de moeizame verhouding tussen man en vrouw, vader en kind, liefde en werk.

Rosa Liksom is een frisse, oorspronkelijke stem in de Scandinavische literatuur. Coupé No6 lezen is een bevrijdende en verrijkende ervaring.
Javier Marías geeft blijk van een diep inzicht in de menselijke geest en drijfveren. De verliefden biedt een waaier aan meesterlijke bespiegelingen over dé thema’s in de literatuur: liefde en dood.
De Europese Literatuurprijs wordt in 2013 voor de derde keer uitgereikt en bekroont de beste Europese roman die in 2012 in Nederlandse vertaling is verschenen. Eerder wonnen Alsof het voorbij is van Julian Barnes en vertaler Ronald Vlek en Drie sterke vrouwen van Marie NDiaye en vertaler Jeanne Holierhoek. De prijs bestaat uit een geldbedrag van € 10.000 voor de schrijver en € 2.500 voor de vertaler van het bekroonde boek.
De longlist werd door dertien onafhankelijke boekhandels gekozen. Een vakjury selecteert daaruit de shortlist en de winnaar.


De jury bestaat uit:
  • Alexander Rinnooy Kan, voorzitter; hoogleraar economie en bedrijfskunde aan de UvA en fervent lezer
  • Kees ‘t Hart, schrijver en literair criticus
  • Judith Uyterlinde, schrijver en literair criticus
  • Arno Koek, Boekhandel Blokker, Heemstede
  • Maartje Kroonen, Literaire Boekhandel Lijnmarkt, Utrecht
De Europese Literatuurprijs is een initiatief van Academisch-cultureel centrum SPUI25, het Nederlands Letterenfonds, weekblad De Groene Amsterdammer en Athenaeum Boekhandel en wordt mede mogelijk gemaakt door de volgende onafhankelijke boekhandels:
Voor nadere informatie kunt u contact opnemen met het Nederlands Letterenfonds, tel. 020-520 73 00.



zaterdag 1 juni 2013

Assises Internationales du Roman in Lyon inspirerend en druk bezocht

Le sentiment de la vie


29/05/2013 >  19:00 - 20:30
Les Subsistances
8 bis Quai Saint-Vincent
Lyon 1er
La sensation de se sentir pleinement vivant s'impose parfois à nous au détour d'une émotion, d'un souvenir, d'une pensée ou devant la grandeur immobile d'un paysage. Tout à coup, la vie surgit dans ce qu'elle a de plus brut et de plus beau. Comment la littérature peut-être rendre sensible cette sensation physique d'être au monde, cette vie à l'état pur, dont la puissance n'a d'égale que la fugacité ? Entre matérialisme et métaphysique, comment les écrivains traduisent-ils ce surgissement qui nous envahit ? Comment dire ce bonheur physique et psychique d'être là, ici et maintenant ?


Animée par : Margot Dijkgraaf. Avec :

Margot Dijkgraaf
Maxime Ossipov
Jón Kalman Stefánsson
Sylvie  Germain