donderdag 18 april 2013
Louise O. Fresco, Joep Leerssen, Marja Pruis, Willem Schinkel en Peter Venmans genomineerd voor Jan Hanlo Essayprijs 2013
De jury van de Jan Hanlo Essayprijs 2013 heeft dit jaar vijf essaybundels genomineerd. Dat is meer dan gebruikelijk. De nominaties gaan naar Louise O. Fresco, Joep Leerssen, Marja Pruis, Willem Schinkel en Peter Venmans. Ook zijn er drie genomineerden voor de Essayprijs voor nog niet gepubliceerde essays. Voor een derde onderdeel van de prijs, de Jan Hanlo Media-essayprijs - deze keer het filmessay –, zijn 20 mededingers.
De jury, bestaande uit Geert Buelens, Xandra Schutte en Arjen van Veelen, onder voorzitterschap van Margot Dijkgraaf, maakte een keuze uit ruim 110 ingezonden essaybundels uit 2011 en 2012. De jury roemt de kwaliteit van de gepubliceerde bundels en laat haar waardering blijken door niet drie maar vijf bundels te nomineren. Genomineerd zijn Louise O. Fresco met ‘Hamburgers in het paradijs’ (Prometheus), Joep Leerssen met ‘Spiegelpaleis Europa’ (Van Tilt), Marja Pruis met ‘Kus me, straf me’ (Nijgh & Van Ditmar), Willem Schinkel met ‘De nieuwe democratie’ (De Bezige Bij) en Peter Venmans met ‘Het derde deel van de ziel’ (Atlas).
Eerdere winnaars van de prijs waren o.a. Rudy Kousbroek, Roel Bentz van den Berg, David van Reybrouck en (in 2011) Joke Hermsen.
De jury boog zich ook over ruim 40 inzendingen voor de Essayprijs voor nog niet gepubliceerde essays. Genomineerd zijn Daan Stoffelsen met ‘Waarschuwingen, ravijnen en ziekenhuisgebouwen’, het schrijversduo Jan Truijens Martinez / Anouk van Kampen met ‘Alles wat al gezegd is’ en Ruth Lasters met ‘Alice’s valsnelheid’.
In 2013 wordt voor de tweede maal een prijs uitgereikt voor een media-essay. Dat is dit jaar een filmessay. De jury bestaat uit Coco Schrijber, Peter Delpeut en Dirk van der Straaten, onder voorzitterschap van BarBara Hanlo. Zij maken een keuze uit ruim 20 inzendingen.
De uitreiking van de prijzen is op dinsdag 21 mei 2013 in Theater de Balie in Amsterdam, en vindt plaats in samenwerking met de SLAA.
De Jan Hanlo Essayprijs wordt gesponsord door Stichting LIRA (Literaire Rechten Auteurs).
(bron persbericht JHEP)
maandag 15 april 2013
Sex sells - van riscovol protest tot ludieke speeltuin. Over Sara Stridsberg, Nicholson Baker, Céline Minard en Atiq Rahimi.
‘Een gat in de markt’ luidde de
mooie dubbelzinnige kop boven een stuk van Elsbeth Etty in NRC Handelsblad van 21 september. In dat artikel maakte ze gehakt
van Vagina. A New Biography van de
Amerikaanse feministe Naomi Wolf. ‘Kut met peren’, luidde haar oordeel. Alles
wat het feminisme van de jaren 1970 had bereikt, werd volgens Etty door Wolf
bij het oud papier gezet: Wolf ging terug in de tijd door te verklaren dat vrouwelijke
seksualiteit werd bepaald door ‘basale neurologische bedrading’, niet door
cultuur, opvoeding of wat dan ook.
Dat NRC zo groots uitpakte met de bespreking van dit boek – opening op
de eerste twee pagina’s van de boekenbijlage met een enorme afbeelding van een ondubbelzinnig
zwart driehoekje op ware grootte – past in de trend, die de kop uitstekend
verwoordt. Het vrouwelijke geslachtsorgaan verkoopt, de vrouwelijke lust laat
de kassa rinkelen. De Vagina Monologen
trekt volle zalen, Fifty Shades of Grey
van E.L. James, koningin van de vrouwelijke softporno, voert al maandenlang de
bestsellerlijsten aan. De eerste imitatie, Bared
to You, van Sylvia Day werd in alle Nederlandse kranten groot besproken. Alain
de Botton kreeg na het verschijnen van zijn essay Let’s talk about sex nog veel meer vragen en reacties dan op welk
van zijn eerdere boeken ook. Vochtige
streken (2008) van Charlotte Roche ging vlot over de toonbank en Het seksuele leven van Catherine M. van
Catherine Millet, het boek dat wel als koploper van de nieuwe trend gezien mag
worden, werd tien jaar geleden al een wereldwijde bestseller.
Over het literaire gehalte van
bovengenoemde titels is relatief weinig te berde gebracht. Er valt ook weinig
over te zeggen. Daar gaat het immers niet om. Het gaat om commercie,
trendsetting, om het inspelen op de tijdgeest: openheid en transparantie is bon
ton, alles in het openbare leven – reclame, televisie, commercie – staat bol
van de verwijzingen naar en beelden van seksualiteit. Er is maar weinig dat louter
tot het privédomein behoort, alle geheimen, persoonlijk of niet, worden vroeg
of laat openbaar. Sterker nog, het geheim bestaat eigenlijk niet meer. Bijna
alle taboes zijn – in het Westen althans – geslecht. Ook seks is gewoon
geworden.
Wat betekent dat voor de schrijver en
vooral voor de schrijfster? En voor de literatuur? Hoe verwoordt een hedendaagse
auteur seksualiteit nu ze alomtegenwoordig is geworden? Dat was het onderwerp
van een rondetafeldiscussie afgelopen juni in Lyon, tijdens de jaarlijkse
Assises Internationales du Roman. Drie uiteenlopende schrijvers waren er
uitgenodigd: Nicholson Baker (Verenigde Staten), Céline Minard (Frankrijk) en
Sara Stridsberg (Zweden).
Nicholson Baker, geboren in New York
in 1957, studeerde filosofie, is schrijver en musicus en docent poëzie. Hij
schrijft romans en verhalen en bestrijkt een breed spectrum, van historische
romans tot politieke essays. Maar hij staat ook bekend als een ‘dirty book
writer’. Het is lastig in de grote, uitermate verlegen en snel blozende
schrijver een pornografisch auteur te ontdekken, maar toch is hij de man die in
1992 Vox publiceerde, een boek over
telefoonseks via de ‘babbelbox’. In The Fermata
(1994; De fermate, 1994) verzon hij
een man die over een bijzondere gave beschikt: hij is in staat de tijd in de ‘pauzestand’
te zetten, tijd die hij vervolgens gebruikt om vrouwen uit te kleden en zich
hun erotische leven voor te stellen. In 2011 verscheen House of Holes, een ronduit pornografische roman met een hoog
absurdistisch gehalte. ‘Een seksueel pretpark’ – daar droomde Baker vroeger
van, een huis vol gaten waar je allerlei lichaamsdelen in kwijt kunt, een knop
op je afstandsbediening waarmee je precies die behoeften kunt laten vervullen
die je op dat moment bevangen. Het is een ronduit krankzinnig boek, een
seksuele variatie op Alice in Wonderland,
vol taalspel en vreemde fantasie. House
of Holes onderscheidt zich duidelijk van andere pornografie: in zijn
pornoparadijs geen geweld, geen misbruik, geen aids, geen wreedheid, geen
dwang. Seks is een spel, meer niet, het maakt iedereen gelukkig. ‘Waarom?’
schrijft Baker, ‘omdat ik vind dat de pornografie zich helemaal op het
verkeerde spoor bevindt. Ze is somber, smerig, uitzichtloos, drijft op
onderbuikgevoelens. Ik vond dat ze een injectie nodig had van een beetje
bovennatuurlijkheid, wat fantasie en absurdisme en vooral, een beetje humor.’
Die combinatie is inderdaad meestal
afwezig. Pornografisch schrijven is vaak gelieerd aan een vorm van geweld,
dwang en duistere werelden, zelden tot nooit aan humor of een vreugdevol
bestaan. Het seksuele leven van Catherine
M. van Catherine Millet, sec en klinisch opgeschreven, mag dan een
vertelster hebben die zich geheel vrijwillig aan haar mannen overlevert, de
roman geeft bepaald geen beeld van een vrouw die geniet van haar leven. Ze is
vrij, ze bepaalt haar eigen keuzes, maar humor? – nee. Het seksuele leven van Catherine M. is een seksuele autobiografie,
een genre waarvan Catherine Millet zich de pionier mag noemen. Minutieus,
realistisch en afstandelijk doet zij het opwindende seksuele leven van haar
alter ego uit de doeken. Hoeveel echtgenoten is een vrouw eigenlijk toegestaan?
vroeg ze zich als kind af. Later, als minnares en gulzig deelneemster aan
seksuele orgieën in de jaren zestig en zeventig, raakt ze de tel kwijt –
voorgoed. Millet beschrijft en benoemt haar seksuele handelingen, vangt ze,
zoekend, in woorden. Dat doet ze zonder obsceen te worden, zonder in perversie
te vervallen en zonder sadisme of troebele gevoelens – op een nieuwe manier, in
een nieuwe taal.
Strijd om macht, in dit geval seksuele
macht, is een belangrijk thema in het boek. De vertelster is een spin in een
seksueel web, bij machte om genot te verschaffen of niet. Haar alter ego neemt
vaak een passieve houding in, maar weet daar wel voordeel uit te halen. In
seksuele relaties is het, bij Millet, niet noodzakelijkerwijs degene die zich
lijkt te onderwerpen, die machteloos is. Ze speelt ook met het thema van de femme
fatale, die de psyche van de man aan zich onderwerpt. Millet was zich er goed
van bewust dat ze, als vrouwelijke auteur, een van de laatste taboes doorbrak.
Ze zette haar vrouw-zijn in en dat was ook zeker een doorslaggevend element in
de enorme publiciteit dat het boek ten deel viel.
Hoe gaat de jongere generatie schrijfsters
daarmee om? Vinden zij dat zij, als vrouw, op dat punt een verantwoordelijkheid
hebben, zit daar een uitdaging? De twee vrouwen die in Lyon op het podium
zaten, Céline Minard (1969) en Sara Stridsberg (1972), vonden dat in ieder
geval niet. Sterker nog – ze vonden het een onzinnige vraag. Minard, een
ongewoon talent in de Franse literatuur, auteur van acht boeken in acht jaar,
gebruikt vocabulaire waarbij ook een Fransman naar het woordenboek moet
grijpen, en is in alle opzichten ontregelend. Haar recentste roman, So long Louise, is een kruising tussen
een sprookje waarin allerlei vreemde figuren opduiken, een absurdistische roman
en een testament: een tachtigjarige vrouw kijkt terug op haar leven en laat
haar bezit achter aan de veel jongere vrouw met wie ze haar leven heeft
gedeeld. De (lesbische) seksualiteit is een klein, vanzelfsprekend onderdeel in
het totale mozaïek. Wat Minard bezighoudt is niet de seksualiteit tussen
mensen, maar de seksuele intertekstualiteit, de bevruchting tussen de teksten
onderling. In haar boek speelt ze met de monoloog van Molly Bloom uit Ulysses. Fragmenten met erotische lading
laat ze terugkomen in haar eigen boek, getransformeerd, geparafraseerd en op
een andere manier geseksualiseerd. ‘So long Louise baise avec Ulysse,’ aldus
Minard.
Sara Stridsberg kon zich goed vinden
in deze definitie. Ook haar werk is doordrenkt van referenties aan boeken van
illustere voorgangers: Vladimir Nabokov, Gertrude Stein, Marguerite Duras. Haar
roman, in het Frans voorzien van een Engelse titel, Darling River, bevat maar weinig darlings. Haar personages
balanceren op de rand van de afgrond, ze zwerven, zijn ieder kompas kwijt en
wanhopig op zoek naar de zin van hun leven. Een vader en zijn dochter rijden
iedere nacht een willekeurige route, hij rijdt en drinkt, zij slaapt op de
achterbank. Een man in een dierentuin raakt geobsedeerd door een
vrouwtjeschimpansee met wie hij de liefde wil bedrijven, en zo zijn er nog
enkele personages die het roer kwijt zijn. Incest, geweld, pedofilie, een
totaal gebrek aan moraal, kindertijd als een bron van ellende – dat zijn de
kernthema’s in deze donkere roman. Alles echoot de onuitgesproken, drukkende
seksualiteit uit de romans van Marguerite Duras. ‘I can hear the Pacific Ocean,’ zei Stridsberg, ‘the Atlantic,
the Mekong River running through the words. It is the same movement, ebb and
flow, concentration, vertigo, breathing, a blind pulse of desire working beyond
reason and logic.’
Voor Minard en Stridsberg is schrijven
over seks geen doel op zich, ze willen niets laten zien, ze hoeven niets te
bewijzen. Seksualiteit is gewoon een onderdeel van hun schrijven, beweren ze –
inderdaad, net zoals je over de natuur schrijft, een karakter laat zien, een
dialoog opzet. Niets bijzonders. Een bijzondere verantwoordelijkheid omdat ze
vrouw zijn? Onzin! Ze leven nu, en willen helemaal niet geplaatst worden in een
vrouwelijke traditie. Dat mag dan zo zijn – de seksualiteit in deze romans is,
als vanouds, gelieerd aan misère, aan onderdrukking, aan het kwaad in de mens.
De personages die deze schrijfsters opvoeren bevinden zich aan de zelfkant van
de maatschappij, het zijn bijna zonder uitzondering ontspoorde figuren, levend
in een bij uitstek gewelddadige wereld. Minard en Stridsberg verkennen vooral
hun eigen innerlijke universum, hun eigen fantasmen.
Onlangs verscheen bij Les Editions de
la Transparance de bundel La violence au
féminin, samengesteld door Claude Benoit, verbonden aan de Universiteit van
Valencia. Het boek bevat een aantal essays over geweld in het werk vrouwelijke
toneelschrijvers, filmmakers en romanschrijvers. Geweld en seksualiteit
blijken, bijna zonder uitzondering, onderling verbonden. In haar openingsessay
laat Lydie Salvayre, auteur van een oeuvre waarin geweld in vele hoedanigheden
voorkomt, overtuigend zien dat literatuur en geweld op zich al een
onverbrekelijk duo zijn. Ze citeert een groot aantal auteurs. Mallarmé: ‘Er is
geen betere bom dan een boek.’ Dostojevski: ‘Je moet schrijven met een zweep in
je hand.’ Nietzsche: ‘Schrijf met je bloed en je zult leren dat het bloed je
geest is.’ Kafka: ‘De literatuur is een bijl die de bevroren zee in ons breekt.’
Literatuur is intrinsiek gewelddadig, schrijft Salvayre, omdat zij de taal ter
discussie stelt. Wie de taal ter discussie stelt, stelt alles ter discussie: de
politiek, de moraal en de seksualiteit.
Geldt
een dergelijke stelling ook voor niet-westerse auteurs? Welke aanpak hanteert
in dit kader bijvoorbeeld de in het Frans schrijvende Afghaanse auteur Atiq
Rahimi (1962)? Hij kreeg voor zijn indrukwekkende roman Syngué sabour. Pierre de patience in 2008 de prix Goncourt. Ook deze
roman, in 2009 in het Nederlands vertaald door Kiki Coumans als Steen van geduld, draait om macht,
vrouwen en seksualiteit – thema’s die in de Afghaanse samenleving natuurlijk
zeer beladen zijn. Een enorm verschil dringt zich op: terwijl westerse auteurs
een eigen universum creëren en naar hartelust en in vrijheid hun fantasmen
vormgeven, laat Rahimi ons de realiteit van een andere, keiharde, gewelddadige
wereld zien die niets met fantasie te maken heeft.
In zijn stijl blijft Rahimi dicht bij
de orale traditie van de Afghaanse Pashtun-poëzie, de eeuwenlang voornamelijk
door vrouwen gezongen korte gedichten over thema’s als liefde, eer en dood.
Zijn taalgebruik is eenvoudig, ingetogen, sober, poëtisch en vooral filmisch
van aard. Het is een stijl die past bij het onderwerp van zijn boek, dat een ode
is aan de Afghaanse vrouw. Een vrouw, ‘ergens in Afghanistan of elders’, waakt
bij haar man die in coma van een missie is teruggebracht, een kogel in zijn
nek. Het huis bevindt zich midden in een gebied waar gevochten wordt, haar
buren worden gemarteld en onthoofd. Ze brengt haar dochtertjes onder bij haar
tante en blijft zelf waken bij het lichaam van haar man. Dagenlang herhaalt de
vrouw mechanisch de gebeden die de imam haar heeft opgedragen. Ze geeft
zichzelf de schuld van het coma waarin haar man zich bevindt. Totdat ze zich
bewust wordt van het leven dat ze tot dan toe heeft geleid: ze is vernederd en
mishandeld door haar vader, uitgehuwelijkt en in de echt verbonden zonder dat
haar echtgenoot aanwezig was en sindsdien als slaaf gebruikt door haar
schoonfamilie. Toen haar man eenmaal arriveerde, behandelde hij haar louter als
slaaf en seksueel object. Koud en ongenaakbaar ligt hij nu voor haar, als was
hij haar ‘syngué sabour’. In de Afghaanse legende is dit een ‘geduldsteen’,
waaraan je je zorgen en ellende, je pijn en verdriet kan toevertrouwen. De
steen neemt die verhalen in zich op totdat hij op een dag uit elkaar spat. Op
dat moment ben je definitief van je zorgen verlost.
Stukje voor stukje vertrouwt ze haar man, die daar als een
steen ligt, haar geheimen toe. Ze vertelt hem over haar angst, haar zorgen,
haar eenzaamheid. Ze vertelt hem hoe vernederd ze zich voelde wanneer hij haar
beval zich te bedekken met een ‘verberg je vlees!’. Ze vertelt hem over haar
tante, die, omdat ze toch geen kinderen kon krijgen, werd uitgehuwelijkt aan
een man die haar misbruikte – tot ze hem de hersens in sloeg. De vrouw vertelt
haar echtgenoot dat er in het begin van hun huwelijk geen kinderen kwamen omdat
hij steriel is, en niet zij, zoals hij verkondigde. Om niet mishandeld en
verstoten te worden, vond ze een oplossing: ze sliep met een ander en kreeg
kinderen. Maar hij is niet hun vader.
Macht en seksualiteit zijn, in deze
roman, in deze samenleving dus van een heel ander kaliber. In overeenstemming
daarmee is ook de stijl veel minder barok, veel minder uitgelaten dan die van
de eerder besproken romans. Rahimi’s stijl is sober, vloeiend, filmisch –
hetgeen de roman meer impact geeft. Bij hem geen breed uitgeschreven
verhaallijn, geen halve pathos, bovennatuurlijke personages, figuren die hun
seksuele escapades uitvergroten, maar soberheid, suggestie en een
cinematografische blik.
In een interview dat ik met Rahimi had
in het Institut français in Amsterdam, vertelde hij waarom hij deze roman had
geschreven. In 2005 was hij door een vijfentwintigjarige getalenteerde
dichteres uitgenodigd voor een literaire ontmoeting in Afghanistan. Een week
voor het evenement hoorde hij dat de bijeenkomst was afgelast wegens de dood
van de dichteres. Ze was vermoord, door haar man. De zaak werd gezien als een
familieaangelegenheid, de man werd niet vervolgd. Dat is het lot van vrouwen in
grote delen van de wereld, zei Rahimi, ‘daarom heb ik deze roman geschreven.
Pas als de man verlamd is, voor dood ligt, kan de vrouw zich uiten. Dan pas kan
ze haar hart openen, over haar ellende spreken, haar verlangens en haar dromen.’
Macht en seksualiteit zijn, zoveel is
duidelijk, belangrijke literaire thema’s in de hedendaagse literatuur. In niet-westerse
literatuur nemen romans vaak stelling, ook als het om machtsverhoudingen en
seksualiteit gaat. Het maakt dat soort boeken tot een risicovol protest, een
kritiek en reflectie op de misstanden in de maatschappij, een schreeuw en een
aanklacht. In de hedendaagse literatuur in het Westen, waar nauwelijks meer
taboes gelden, is seksualiteit, en met name die van de vrouw, vaker een ludieke
speeltuin voor de obsessies van het individu – en bovendien lekker winstgevend.
Dit artikel verscheen eerder in Armada. Tijdschrift voor Wereldliteratuur, december 2012
maandag 8 april 2013
Dijkgraaf interviewt Dulce Maria Cardoso, Christos Chryssopoulos en Use Lahoz
Op het Passaporta festival in Brussel sprak ik met drie
auteurs over de plaats van de verbeelding in een Europa in crisis. Die krijgt weinig
plaats - daar kwam het op neer. Van de Portugese schrijfster Dulce Maria Cardoso verscheen in het
Nederlands onder andere Violeta en de engelen (Meulenhoff), de Spaanse auteur Use Lahoz schreef
De dromer (Karakter) en van de Griek Christos Chryssopoulos is nog niets in het Nederlands
vertaald, maar wel in het Frans. Zijn 'Atheense kroniek' Une lampe entre les
dents geeft een indringend beeld van het veranderende Athene in tijden van
crisis en een steeds gewelddadiger nationalisme.
De Europese literatuur bloeit - ook of misschien wel juist in tijden van crisis.
vrijdag 5 april 2013
Margot Dijkgraaf schrijft boek over het oeuvre van Hella S. Haasse
Volgend jaar verschijnt van Margot Dijkgraaf
Hella S. Haasse. Portret van een oeuvre, een persoonlijke zoektocht naar
de kernthema’s in Haasses werk.
Margot Dijkgraaf is
freelance literatuurcriticus voor nrc
Handelsblad en directeur van Academisch-cultureel Centrum spui25 in Amsterdam. Zij publiceerde
eerder o.a. De pen van Europa, Nooteboom en de anderen en
verzorgde samen met Patricia de Groot Uitzicht en Inkijk, de twee
delen essays, portretten en beschouwingen in het Verzameld werk van Hella S.
Haasse.
In de komende jaren zal Aleid Truijens zich toeleggen op het schrijven van een biografie van Hella S. Haasse (1918-2011). Te zijner tijd zal de biografie bij Uitgeverij Querido verschijnen.
Aleid Truijens is literatuurcriticus en columniste van de Volkskrant, en schrijfster. Zij heeft romans op haar naam staan (Vriendendienst en Geen nacht zonder) en publiceerde in 2011 de geprezen biografie van F.B. Hotz, Geluk kun je alleen schilderen. Eerder schreef zij Draden trekken door het labyrint over het werk van Hella S. Haasse.
(bron: persbericht Querido)
maandag 25 maart 2013
Roberto Calasso over De droom van Baudelaire
,,Mijn werk behoort tot
geen enkel literaire genre, het is ondefinieerbaar. Soms is het roman, soms
essay, soms zitten er toneeldialogen in, aforismen en analyses. Wat mijn zeven
boeken gemeen hebben is een verhalend karakter. Fysiologisch gezien is dat de
manier waarop ik werk, nu al zo'n dertig jaar. Nu ben ik bezig aan het achtste
deel van mijn werk in uitvoering, geen idee waar ik uitkom. Ik ben er maar mee
opgehouden vooruit te kijken."
Roberto Calasso
(Florence, 1941), de legendarische Italiaanse uitgever en schrijver van bijvoorbeeld De bruiloft van Cadmus en Harmonia (1988), Ka (1996) en K. (2002),
is nog steeds iedere middag te vinden in zijn kamer van de uitgeverij die hij
beroemd maakte, Adelphi. Ordelijke stapels boeken, op de grond, op stoelen rond
zijn bureau, doorzichtig gekafte eerste drukken in een hele muur beslaande
kast. Om hem heen de kantoren van zijn medewerkers. Iedere vijf minuten belt
hij een van hen: hij wil me die speciale uitgave laten zien, dat boek schenken,
die tekst meegeven, die illustratie tonen. Binnen een minuut wordt zonder
zuchten aan zijn wensen voldaan - de wil van een legende is wet.
Binnenkort verschijnt
in Nederland Els van der Pluijms schitterende
vertaling van La Folie Baudelaire,
bij uitgeverij Wereldbibliotheek De droom
van Baudelaire geheten. Verwacht geen biografie van de negentiende-eeuwse Franse
dichter, geen nieuwe interpretatie van zijn werk, maar een verrukkelijke,
associatieve wandeling door de intellectuele botanische Baudelaire-tuin van gids
Calasso.
Fysiologisch - die op
het oog vreemde term komt vaker terug in zijn boek. 'De hele geschiedenis van
de literatuur', schrijft Calasso bijvoorbeeld, 'kan worden gezien als een
sierlijke guirlande van plagiaat', waarmee hij doelt op 'bewondering en een
fysiologisch assimilatieproces dat een van de best bewaarde mysteries van de
literatuur is'. Calasso: ,,Dat is voor mij een cruciaal woord. Het gaat terug
op Sainte-Beuve, de in zijn tijd beroemde en beruchte Franse schrijver en criticus
die er een groot belang aan hechtte in zijn artikelen een beeld te geven van
zowel het leven als het werk van een auteur. Zoals u weet is hij daarom
aangevallen door Proust (in Contre
Sainte-Beuve - md). Proust wist natuurlijk best dat Sainte-Beuve geen
ongelijk had, het ging erom te erkennen dat beide door elkaar heen lopen en
niet los van elkaar kunnen worden gezien."
En dat plagiaat?
,,Dat is de zin zelf
van de literatuur. Literatuur is een voortdurende stroom waarbij je van de ene
naar de andere tekst gaat, de oude wordt geïncorporeerd in een nieuwe, het
verleden in het heden".
Na uw laatste boek over
een schrijver, K., over Kafka, koos u
nu voor Baudelaire, waarom hij? U schrijft over een 'Baudelairegolf die alles
doordrenkt', die zijn tijdgenoten overspoelde en kopje onder liet gaan.
Baudelaire is de eerste
niet-Italiaanse dichter die ik las, ik was 12 en raakte door hem gefascineerd.
Met hem heb ik altijd een intiemere relatie gehad dan met anderen. Gide zei het
ook, Baudelaire fluistert iets in je oor. Met hem begint er een tijdperk met
een andere sensibiliteit, een nieuwe richting, een nieuwe toon in de literatuur
en de schilderkunst. Al vóór hem was die golf ingezet, maar hij is de spil, met
hem kristalleert zich die tendens.
U laat de voor- en de
achterkant van dat golvende weefsel zien, in wezen van de hele negentiende eeuw.
Zo'n nauw verband
tussen literatuur en schilderkunst is heel zeldzaam. Degas, Manet, Mallarmé,
Ingres, Delacroix - in hun werk resoneert die nieuwe sensibiliteit. De golf
eindigt met Proust. Zijn essay over Baudelaire is een van de mooiste die er
ooit geschreven zijn, het hoort tot zijn mémoires, zijn fysiologie.
'Het ware moderne, dat in Baudelaire vorm krijgt,
is die jacht op beelden, aangevuurd door de 'demon van de analogie'', schrijft
u.
Het is een sleutelzin.
Analogie is voor mij, tegen de traditie in, een middel tot kennis. Sinds de
Verlichting wordt analogie gezien als een vijandig begrip, het zou niet
nauwkeurig en misleidend zijn, maar de oude Grieken zagen het al als een manier
om kennis en wijsheid te verwerven. Baudelaire kun je niet begrijpen zonder
zijn verhouding tot het beeld, beeld en woord zijn innig en ingewikkeld met
elkaar verbonden.
De schilders Delacroix
en Ingres geeft u een bijzondere plaats in de context van Baudelaire. Dankzij
de eerste kon hij zijn 'metafysica van de kunst' formuleren, de tweede
kritiseerde hij fel.
Baudelaire had iemand
nodig die zijn hartstocht vertegenwoordigde. Delacroix kwam daar het dichtste
bij, hij verpersoonlijkte een zaak waar Baudelaire voor stond. Het waren geen
vrienden. Delacroix hield meer van mensen die hem gehoorzamer waren dan
Baudelaire. Het werk van Ingres stond ver van Baudelaire af, maar paradoxaal
genoeg is wat hij over hem schreef veel pertinenter dan wat hij over Delacroix
noteerde.
De titel La Folie Baudelaire is in het Duits en
ook in het Nederlands vertaald als De
droom van Baudelaire, een titel waarmee Calasso niet gelukkig is. Toch is
die droom het hart van Calasso's boek. Toen Baudelaire op 13 maart 1856 wakker
werd, schrijft hij, had hij een vreemde droom gehad, die hij meteen noteerde.
Hij moet een bevriende bordeelhoudster een net verschenen boek van zijn hand
aanbieden, merkt dat hij half ontkleed is, loopt door een soort geneeskundig
museum met ingelijste afbeeldingen van
monsterlijke wezens en vindt uiteindelijk een monster op een piedestal, met een
soort slang om zijn lichaam. De droom interpreteren is niet wat Calasso wil,
'dat zou een soort metafysische tactloosheid zijn'. Wat dan wel? Calasso: ,,In
die droom zit alles, zijn hele oeuvre vloeit erin samen, als in een estuarium.
Het erotische element, de haat voor de wereld om hem heen, de bêtise van zijn eeuw, de wetenschap,
alles. Baudelaire komt op blote voeten, met zijn gulp open het bordeel binnen,
hij voelt zich gegeneerd. Dat komt helemaal overeen met zijn leven, Baudelaire
was een onvrijwillige exhibitionist. Wat hij ook deed, hij was bovenmatig
blootgesteld, metafysisch geprostitueerd zou je kunnen zeggen. Als je van die
droom uitgaat, zit alles erin.
De oorspronkelijke
titel La Folie Baudelaire komt uit
een artikel over nieuwe kandidaten voor de Académie française, van Sainte-Beuve.
Calasso: ,,In zijn tijd begreep Saint-Beuve het best wat literatuur was. opvallend
genoeg vermeed hij het te schrijven over de grote auteurs van zijn tijd, over
Baudelaire heeft hij nooit een stuk gepubliceerd. Hij leed als hij met
werkelijk groten werd geconfronteerd, vreesde hun betekenis. Baudelaire liet
hij doorgaan voor een gewone, goeie jongen om zijn talent niet te hoeven
erkennen. Het was een compliceerd man, een beetje pervers, perfide, pathetisch
ook, maar een groot schrijver. Zijn roman Port-Royal
is een van de grote boeken uit de Franse literatuur, maar nu vergeten. Dat is
de wraak van de geschiedenis."
In de alinea die u
citeert karakteriseert Sainte-Beuve het
werk van Baudelaire als 'een bizar bouwwerk op de uiterste punt van een als
onbewoonbaar beschouwde landtong, rijkelijk gedecoreerd, getourmenteerd maar
verleidelijk en mysterieus, waar men boeken van Edgar Allen Poe leest, (..)
zich bedwelmt met hasj, waar uit tere porseleinen kopjes van opium wordt
genipt'. Dat 'fraaie mozaïek van een harmonieuze originaliteit', dat
'romantische Kamtsjatka' noemt Sainte-Beuve 'la folie Baudelaire'. Waarom vindt
u dat zo'n adequate omschrijving van Baudelaires oeuvre?
Het is precies wat de
literatuur is geworden, het is de literature
absolue, een plek die moeilijk toegankelijk is, ver weg van de sociale
wereld, een bijna onleefbaar punt ver weg in Siberië.
Is dat voor de
literatuur de plek par excellence?
Als je een allegorisch
beeld moet geven van de literatuur na Baudelaire is het dit Kamtsjatka. In dat
bouwsel bevond zich niet alleen Baudelaire, maar ook Rimbaud, Mallarmé en
Proust. De cel, de met kurk beklede slaapkamer van Proust aan het eind van zijn
leven - dat was zíjn Kamtsjatka. Sainte-Beuve had het helemaal bij het rechte
eind, maar wat was het een angstige, laffe man.
Bevindt u zich, als
uitgever en als schrijver van een associatief, uitdijend, onderling verbonden,
lastig toegankelijk oeuvre, niet ook in een dergelijk Kamtsjatka?
Ja, dat zou kunnen, al
houd ik me met die vraag niet echt bezig. Het is in ieder geval wat de
literatuur is geworden. Als het anders was, zou ze me niet interesseren.
Waar bevindt die lieu absolue van de literatuur zich
tegenwoordig?
Overal. Je hoeft niet
naar Siberië te gaan. Er zijn niet veel grote schrijvers, schrijvers die écht
belangrijk zijn. Het begint met Baudelaire en het eindigt met Kafka, sindsdien
zijn er niet veel bijgekomen. De groten zijn eenlingen, mensen die wel een
sociaal leven hebben - denk aan Nabokov, Borges -, maar in wezen leven in een
onzichtbare luchtbel. Een kwestie van zelfbescherming. De lieu absolue van nu is overal. En ik verzeker u - erg druk is het
er niet.
Roberto Calasso: De
droom van Baudelaire. Vertaald door Els van der Pluijm. Wereldbibliotheek. 366
blz., prijs € 44,90
dinsdag 12 maart 2013
Over de Berberbibliotheek
Een caleidoscoop - dat
is de eerste associatie met de boekomslagen van de Berberbibliotheek. Fel
gekleurde sterren, dreigende wolken, golvende regenboogbanen, een kamelenkop,
een schedel, een woestijnpaleis dat als je snel kijkt net een moskee is. Hier
spat, zoveel is meteen duidelijk, een universum uit elkaar, hier vergaat een wereld
in duizenden splinters.
En inderdaad, als de
vier boeken die tot nu toe zijn verschenen in de Berberreeks iets gemeen
hebben, is het wellicht dat. Alle vier vormen ze een stukje literaire
verbeelding van de geschiedenis van de Berbers, de oorspronkelijke inwoners van
Noord-Afrika. Brokjes historie, schuivende puzzelstukjes, verhalen vol geweld
en gemankeerde levens, soms realistisch, vaak surrealistisch en hallucinatoir -
maar heel blijft die wereld nooit. Er wordt gezworven, gezocht, gereisd,
gevochten, er wordt gewroken en gevangen gezet. Van het ene ondoorgrondelijke
verhaal val je in het andere, van de ene bizarre hoofdpersoon ga je naar de volgende,
de ene queeste wordt gevolgd door weer een nieuwe. En ja, de berberwereld wordt
verscheurd, raakt versplinterd, eeuwenlange tradities worden aangetast en
verdwijnen, hoofdpersonen gaan op pad om nooit meer terug te keren, anderen
keren terug en herkennen niets van wat ze achterlieten.
Onlangs verscheen Nedjma van de grote Algerijnse schrijver
Kateb Yacine (1929 - 1989), verreweg de belangrijkste én de interessantste van
de vier tot nu toe in de reeks verschenen titels: met Nedjma werd de Franstalige magrebliteratuur van vóór de
onafhankelijkheid volwassen: Algerije kreeg een stem. Laat ik duidelijk zijn,
het is een roman waarin je als lezer hopeloos verdwaalt, een boek dat irriteert
en intrigeert. Maar in dat dolen, in dat dwalen ligt tegelijkertijd de
betekenis van de roman. De personages, vier jongemannen die allemaal een oogje
hebben op dezelfde beeldschone vrouw, cirkelen rond die ene historische datum,
8 mei 1945. Op die dag sloegen de Fransen een Algerijnse volksopstand bloedig
neer en werden demonstranten, onder wie Kateb Yacine zelf, opgepakt, gemarteld
en gevangen gezet. In die gevangenis werd hij schrijver. Nedjma, uit 1956, is zijn debuut. Het boek bestaat uit snippers,
een verhaal dat vanuit verschillende perspectieven, in een ogenschijnlijk
willekeurige volgorde aan elkaar is geplakt. Ieder personage leeft met een
gemis, een verdriet, een lijden, in een persoonlijke gevangenis. Iedereen wordt
bedreigd, ondermijnd, bestolen, onrecht aangedaan. Nedjma, de centrale
vrouwelijke figuur, is knap maar ongrijpbaar, van onduidelijke afkomst en gaat een
nog onzekerder toekomst tegemoet. Zij is de metafoor voor haar vaderland, dat
iedereen wil bezitten - Europeanen, vaders, broers, buren. Het maakt Nedjma politiek en ideologisch, maar ook
in literair opzicht tot een scharnierroman in de berberliteratuur. Meer nog,
zou ik zeggen, het is een visionaire, universele roman die in haar
quasi-onsamenhangende, versplinterde en wanhopig complexe structuur net zo goed
de huidige ontwikkelingen in Syrië en zijn buurlanden weerspiegelt.
Tot zo'n roman hebben de
andere drie auteurs uit de reeks zeker hun houding moeten bepalen. De boeken
van Mohammed Khaïr-Eddine, Tahar Djaout en Ibrahim Al-Koni verschenen 30 à 40
jaar na Nedjma. Ze behoren tot een
post-koloniaal, dus een heel ander tijdperk. De magrebschrijvers die in de
jaren 70 doorbraken, horen tot wat wel de generatie van de verloren hoop en de
desillusie wordt genoemd. Na de euforie van de onafhankelijkheid werden de
hooggespannen verwachtingen van de nieuwe tijd de grond in geboord. De nieuwe
politici bleken nauwelijks betere tijden te brengen dan de verafschuwde
kolonisator. Hun desillusie vertaalden deze auteurs in een provocatieve
literaire stijl waarin alle genres door elkaar lopen, in composities waar kop
noch staart aan te ontdekken valt en waar het hard speuren is naar een rode
draad. Ze bezingen de amazigh-cultuur en eisen voor hun Berberse identiteit een
volwaardige, erkende plek op - naast de officiële Arabische. Hun werk zit vol
met mythen en sagen uit de Berberse orale overlevering. Het leven na de
koloniale onafhankelijkheid was er helemaal niet beter op geworden, het
politieke bestel was compleet ontspoord.
Dat gold zeker voor
Algerije, dat aan het eind van de vorige eeuw ten prooi viel aan gewelddadige fundamentalisen.
Honderden intellectuelen werden vermoord, veel anderen vluchtten naar het
buitenland. Een van hun eerste slachtoffers was de schrijver Tahar Djaout (1954
- 1993), een generatiegenoot dus van de inmiddels bekende Algerijnse auteurs
Yasmina Khadra en Boualem Sansal. Met zijn werk maakte Djaout als het ware een
röntgenfoto van het kwaad dat hij in zijn land overal om zich heen zag, hij
maakte zich sterk voor vrijheid van religie en bekritiseerde, bijvoorbeeld in
zijn roman L'invention du désert, het
religieuze fanatisme. Zijn roman De
bottenzoekers, uit 1984, ook een nu vertaald deel uit de Berberbibliotheek,
zou je als een milde satire op de menselijke hypocrisie kunnen lezen: na het
einde van de onafhankelijkheidsoorlog gaan er hele 'konvooien van
skelettenzoekers' op pad om de botten te vinden van dorpsbewoners die in de
oorlog gesneuveld zijn. De dorpen hechten eraan 'de overblijfselen van hun
doden het graf te geven dat ze als eminente burgers verdienen'. Werkelijk? Zouden
de botten van die helden wel echt terugwillen naar 'dat tirannieke dorp waar ze
hun leven lang niet vrij hebben kunnen ademen?' Het zijn eerder de
achtergebleven familieleden die straks die botten nodig hebben 'ter
rechtvaardiging van de arrogantie en de eigenwaan die zij straks tentoon gaan
spreiden op het dorpsplein'.
Het enige niet uit het
Frans, maar uit het Arabisch vertaalde boek in de tot nu toe verschenen reeks
is Goudstof van de Libische, in
Zwitserland wonende schrijver Ibrahim Al-Koni (1948). Hij is Toeareg, groeide
hij op in de Sahara en leerde op zijn twaalfde lezen en schrijven in het
Arabisch. De anderen schreven, om verschillende redenen, in het Frans,
paradoxaal genoeg de taal van de kolonisator. Ook Goudstof is allesbehalve realistisch: de allesverslindende passie
tussen een man en een kameel is een verhaal dat aan elkaar hangt van dromen,
mythen, waan en hallucinatie. De Sahara, het zand, het stof, 'de hete
zuidenwinden', de slangen, de verborgen bronnen, truffels, djinns, fata
morgana's - dat zijn Koni's échte hoofdpersonen. ,,Mijn boek gaat over een
mythologische vriendschap", zei Koni bij een bezoek aan Amsterdam, ,,het
is een ode aan het verloren paradijs". Volgens Koni hebben de Fransen in
de jaren 50 en 60 de woestijn, het paradijs uit zijn jeugd, voorgoed vernietigd.
Dat paradijs oproepen, verbeelden, uit de vergetelheid redden beschouwt hij als
zijn missie.
Ook de Marokkaanse
schrijver Mohammed Khaïr-Eddine (1941 - 1995) was een man met een missie. Het
boek waarmee de berberreeks begon, Leven
en legende van Agoun'Chich - weinig toegankelijk al geldt het wel als zijn
leesbaarste werk -, schreef hij toen hij na een verblijf van 15 jaar in
Frankrijk naar zijn geboorteland terugkeerde. Terug naar de 'arganboom',
symbool voor 'het bergachtige land dat door de legende wordt getooid met de
eeuwenoude glans van mythes en mysteries'. De schrik moet hem bevangen hebben. Niets
was er meer over van de eeuwenoude berberidentiteit. 'De eeuwenoude schoonheid
van de dingen werd langzaam weggeknaagd door de modernisering'en de berbervrouw
was niet langer 'hoedster van de verborgen betekenissen in de wereld'. Ontworteling
en vervreemding rukken op, kijk naar 'de eeuwenoude amandel-, olijf-, vijgen-
en dadelbomen in de Ammelnvallei' en zet die eens af tegen de 'moderniteit als
een verdovende mode die uitsluitend draait om consumptie'. Tegen de achtergrond
van het onderling verdeelde verzet tegen de Franse overheerser, schetst Khaïr-Eddine
het leven van een gewelddadige bandiet die de moord op zijn zus wil wreken. Agoun'Chich
is een een man die zwerft 'op de brandende rand van onbevredigde wraaklust',
een wreker die 'net zo lang doorgaat tot hij al zijn vijanden heeft vermoord of
zelf wordt gedood'. Voor de oude generatie is hij 'een rasechte Berber, zoals
het huidige ras van slappelingen ze niet meer voorbracht. Hij belichaamde de
voortreffelijkheid van hun streek: diasporisch en toch alom aanwezig,
noodgedwongen zwervend, maar eeuwig strijdend voor absolute vrijheid.' Ook in
de Berberreeks is literatuur altijd politiek.
Jonge berberzangers en
componisten zijn 'de dichters van de Berberopleving', schrijft Khaïr-Eddine, 'zij
weten hun cultuur te vermengen met trends van nu'. Berberrenaissance - de initiatiefnemer
van de reeks, Asis Aynan, neemt, in zijn inleiding, hetzelfde woord in de mond,
al voltrekt die zich volgens hem niet daar, in Noord-Afrika, maar híer in
Nederland. Tussen 'de theorie en de legende' is er, schrijft Khaïr-Eddine, 'nog
een kleine kier open voor de waan. We moeten dus luisteren naar de legende,
zonder de historische gebeurtenissen weg te wuiven die ons inzicht kunnen geven
in de schemerzone waar de verbeelding regeert'. Een moedig initiatief van de
uitgever, die met deze reeks niet alleen de Hollandse ramen weer wijd opendoet
en een paar fantastische auteurs introduceert, maar die ook durft in te zetten op
de waan en de verbeelding - dwars tegen de dwingende, commerciële tijdgeest in.
In de Berberbibliotheek
van Athenaeum - Polak & Van Gennep verschenen tot nu toe: Mohammed
Khaïr-Eddine, Leven en legende van Agoun'Chich (met een voorwoord van Asis
Aynan); Tahar Djaout, De bottenzoekers (met een voorwoord van Abdelkader
Benali), en Nedjma van Kateb Yacine (alledrie vertaald door Hester Tollenaar
die bij de laatstgenoemde titel ook een voorwoord schreef); en Goudstof van Ibrahim
Al-Koni, vertaald door Jan Jaap de Ruiter (met een voorwoord van Gerbrand
Bakker).
vrijdag 1 maart 2013
Bij de dood van Stéphane Hessel
Afgelopen zomer was
Stéphane Hessel bij een van de voorstellingen in het Festival d'Avignon. Toen
hij, als elegante gentleman op leeftijd, de Cour des Pâpes binnenschuifelde en
men in de gaten kreeg dat hij er was, ging er een spontaan applaus op. Er
vormde zich een rij van bewonderaars van en naar de plek waar hij zat,
halverwege de rijen in het eeuwenoude theater onder de open sterrenhemel. Ook
in de pauze en na afloop van de voorstelling bleven de mensen toestromen. Een
handtekening, een bewonderende reactie, een korte vraag.
Zo geliefd, zo
bewonderd was de woensdagnacht op 95-jarige leeftijd gestorven oud-diplomaat,
die na zijn pensioen aan een nieuw leven begon, een leven in de volle openbaarheid.
Het begon in oktober
2010 met een pamflet van 3 euro, een dunne, weinig imposante publicatie, met de
titel Indignez-vous!, uitgegeven bij Indigène,
een onbekend uitgeverijtje. Dat pamfletje werd de afgelopen jaren in Frankrijk
alleen al meer dan 2,1 miljoen keer verkocht. Meer dan 40 vertalingen
verschenen er buiten de Franse grenzen, in Nederland verscheen het boekje als Neem het niet!. Het was een aanklacht
tegen het ongebreidelde (financiële) kapitalisme, dat in Hessels ogen een
bedreiging vormde voor de vrede en de democratie.
Indignez-vous! was de hartekreet van een oud-verzetsstrijder, een oud-gedeporteerde,
een schrijver en dichter die ineens een hele generatie jongeren bleek aan te
spreken. Werkte hij in zijn jonge jaren mee aan de tekst van de Universele
Verklaring van de Rechten van de Mens (1948), nu gaf hij jongeren een
programma, hij nam ze serieus, legde met de wijsheid van jaren zijn vinger op
de wonde in de maatschappij.
Eindelijk iemand die
niet alleen een richting aangaf voor daadwerkelijke verandering, maar ook nog
een karrevracht ervaring en wijsheid wist in te brengen die in duidelijke taal
werd verwoord. Hij riep de 'verontwaardigden' op op te komen voor immigranten,
illegalen en zigeuners en de schadelijke mentaliteit van het 'altijd meer' (consumeren) een halt toe te
roepen. Hij werd de stem van het nieuwe engagement. Zelf had Hessel zich onder
meer ingespannen voor opvang van daklozen in Parijs. En hij leverde felle
kritiek op Israël, waardoor hij in conflict kwam met joodse organisaties. Hessel,
in 1917 in Berlijn geboren als Stefan, had een Duits-joodse vader.
In 2011 verscheen Engagez-vous!, een interviewboek met
Hessel en zijn autobiografie in meerdere delen, Tous comptes faits…ou presque, die ook hoge verkoopcijfers haalde.
Daarna publiceerde Hessel opnieuw een handzaam boekje van 60 bladzijden,
getiteld Le chemin de l'espérance,
ditmaal in samenwerking met zijn oude 'strijdmakker', de Franse filosoof en
socioloog Edgar Morin. Daarin schetsen ze de contouren van een nieuwe politiek
en 'een nieuwe hoop': mondialiseren én démondialiseren was hun motto. Een jaar
later riep Hessel, in Exigez!, op tot
een wereldwijde nucleaire ontwapening.
Vooral Indignez-vous!
mobiliseerde mensen in vele landen: de 'verontwaardigden' (les indignés) zijn
een begrip geworden. De Spaanse jongeren die in 2011 pleinen bezetten noemden
zichzelf indignados. De afgelopen jaren leek de agenda van
de hoogbejaarde Hessel op die van een popster. Zolang zijn benen hem wilden
dragen, zolang zijn geest nog helder was en zolang hij nog invloed kon
uitoefenen, reisde hij de wereld rond. Overal riep hij zijn toehoorders op zich
werkelijk als burgers te gedragen, hun stem te verheffen en te protesteren
tegen de groeiende kloof tussen arm en rijk, de miserabele toestand van
migranten in Europa en de teloorgang van het milieu.
Abonneren op:
Posts (Atom)
