woensdag 29 februari 2012

Michelangelo in Istanbul

'Mensen win je door ze te vertellen over veldslagen, koningen, olifanten en wonderlijke wezens; door uit te weiden over het geluk na de dood, de engelen die om hen heen zweven en de demonen die hen bedreigen'. Het zijn de aan Kipling ontleende gedachten van een Turkse danseres, als ze aan de zijde ligt van de slapende kunstenaar Michelangelo Buonarroti. De mens smacht naar verhalen die hen in staat stellen uit hun werkelijkheid te treden en een andere wereld binnen te gaan. Een wereld waar ze zich gelukkig kunnen wanen, hun eigen ik beter leren begrijpen of hun wanhoop kunnen verdrijven.
En ja - er is sprake van een olifant in Mathias Enards vijfde roman. En er wordt een gevecht gevoerd: een onzichtbare, onbekend gebleven, of wellicht verzonnen strijd tussen een paus en een sultan, tussen twee culturen, een kunstenaar en zijn opdrachtgevers. 



Al eerder verdiepte Enard zich via de literatuur in strijd, guerilla en wapentuig. Hij debuteerde in 2003 met een roman die laat zien wat een burgeroorlog doet met een mens (La perfection du tir, Actes Sud), vervolgde met een boek over driehoeksstrijd in de liefde (Remonter L'Orénoque, Actes Sud) en publiceerde daarna een satirisch werkje over de techniek van het terrorisme (Bréviaire des artificiers, Verticales). Met de vuistdikke roman Zone (2008, prix Decembre), die in vele talen werd vertaald, bereikte hij een groot publiek - al is het een allesbehalve toegankelijke roman. In een stroom van woorden, zonder duidelijke zinsindeling, zonder gangbare interpunctie, schetst Enard een panorama van de conflicten die er in de loop der tijden rond de mediterranee zijn uitgevochten. Zijn verteller is een spion die uit het vak wil stappen en voor het laatst een lange treinreis maakt, zijn koffer vol verschrikkelijke verhalen.
In zijn nu in het Nederlands vertaalde roman slaat Enard een andere toon aan. Hij put uit zijn kennis van de beeldende kunst (Enard was student aan de Ecole du Louvre) en van de Arabische wereld (hij studeerde Arabisch en Perzisch, vertoefde lange tijd in die regio en doceert nu aan de universiteit van Barcelona). Een zinnetje uit de biografie van Vasari over Michelangelo intrigeerde hem: de beroemde Italiaanse kunstenaar zou in 1506 een uitnodiging hebben ontvangen van de Turkse sultan Bajazet. Waarom?, vroeg Enard zich af, en zou hij gegaan zijn? Michelangelo was toen in Rome onder contract bij paus Julius II, had mooie opdrachten en werd alom geëerd. Stel dat hij gegaan was, bedacht, Enard, wat zou hij daar dan gedaan hebben?
Uit dat gedachtenspel kwam zijn boek voort. Hij laat Michelangelo naar Istanbul reizen om daar, in opdracht van de sultan, een brug te ontwerpen over de Bosporus, een immense boog die oost en west met elkaar moet verbinden. Paus Julius II geeft hem wel prestigieuze opdachten, maar geeft niet thuis als het op betalen aankomt. De kunstenaar heeft tabak van zijn opdachtgever en tart hem door de opdracht te aanvaarden van een andere wereldheerser.
Het is een intrigerend en symbolisch verhaal dat Enard ons voorschotelt en bovendien prachtig opgeschreven. In korte poëtische scenes schetst hij in wat voor wereld Michelangelo terecht komt. De korte ontvangst door de sultan, de assistent/dichter die hem tot gids dient en verliefd op hem wordt, het atelier dat voor hem in gereedheid wordt gebracht, de aap aan wie hij zich hecht, de opschrijfboekjes waarin hij noteert welke schatten hij ziet en de danseres die over verhalen filosofeert, liggend naast de bezeten kunstenaar die zo weinig in haar lichaam geïnteresseerd is. Michelangelo verkent Istanbul, doorkruist de bazars, laat een dolk maken, schrijft aan zijn broers en zijn vrienden. Het ontwerp dat hij uiteindelijk maakt van de brug moet dat van zijn oudere collega Leonardo Da Vinci verre overtreffen. Michelangelo zal het ware gezicht van Istanbul of van zijn gastheer niet doorgronden, net zomin als de liefde die er door twee verschillende personen voor hem wordt gekoesterd. Veel gebeurt achter de schermen, onzichtbaar en onbegrijpelijk voor een vreemdeling.  
Het is altijd een riskante onderneming een historisch personage te laten optreden in een verzonnen verhaal. Niet voor niets nam Enard achterin een bibliographie op van de archieven die hij consulteerde. Keek Michelangelo inderdaad nooit in de spiegel omdat hij niet van zijn eigen gezicht hield? Nam hij nooit een bad? Schreef hij inderdaad het ene na het andere carnet vol? Was hij inderdaad zo sober als Enard beschrijft? In ieder geval blijft de auteur trouw aan het algemene beeld dat Michelangelo's biografen van hem hebben geschetst. De rest is fictie.
Onlangs verscheen een prachtige, nieuwe korte roman van Enard bij de kleine uitgeverij Inculte. L'alcool et la nostalgie, een poëtisch liefdesverhaal over sneeuw en misverstand, die bij tijd en wijle aan Andreï Makine doet denken. Enard schreef het tijdens een transsiberische treinreis van Moskou naar Novosibirsk.
We zullen nog veel van hem  horen.

Mathias Enard, Vertel hun over veldslagen, koningen en olifanten. Vertaald door Katrien Vandenberghe. Arbeiderspers. Prijs 18,50


dinsdag 14 februari 2012

Geef het Institut néerlandais tijd om geld te verdienen

Je kon er vergif op innemen - het Institut néerlandais in Parijs zou niet aan de radicale bezuinigingen van dit kabinet ontsnappen. Als gevolg daarvan is er sprake van het schrappen van de maatschappelijke debatten en de literaire avonden. Ook de taalcursussen - en met name de winstgevendheid daarvan - worden onder de loep genomen. Het Institut, nauw verbonden met de Nederlandse Ambassade en de Fondation Custodia, die de collectie tekeningen en prenten van Frits Lugt beheert,  is doorgeefluik, podium en uitvalsbasis voor de Nederlandse cultuur in Frankrijk. De Nederlandse taal en cultuur behoren tot haar core business. Maar het heeft ook een makelaarsfunctie waarbij Franse en Nederlandse organisaties aan elkaar worden gekoppeld en wederzijds ervaringen worden uitgewisseld en know how gedeeld. En het Institut is de ontmoetingsplaats voor kunstenaars, beleidsmakers, historici, academici - maar vooral voor de gewone Fransman en de gewone Nederlander. De Fransman die verliefd is op een Nederlandse of zijn specifieke carrièrekansen wil vergroten, leert er Nederlands. De Nederlander die in Parijs terecht komt, ontmoet er zijn buurman.
Buitenlandse Zaken, dat momenteel op veel plekken in de wereld diplomatieke posten sluit, is de grootste financier van het Institut néerlandais. Ook de Franse tegenhanger van het IN in Nederland, het Maison Descartes, ondervindt de gevolgen van bezuiniging aan den lijve. Cultuur is voor de Fransen van oudsher een instrument geweest in de geopolitieke ambities van het land - veel meer dan voor Nederland. Maar ook dit Franse instituut krijgt jaarlijks met de kaasschaaf te maken. Recent kregen alle door de staat gefinancierde Franse instituten niet alleen voor de zoveelste keer minder subsidie, maar ook een nieuwe naam, Institut Français - efficiëntie, samenwerking, kostenbesparing was het parool. Er werden instituten in Europa gesloten, er werden nieuwe geopend in de opkomende economieën Brazilië, China en India.
Ook het IN is onderdeel van de Nederlandse buitenlandse culturele politiek. De afgelopen jaren werd culturele diplomatie het motto, halen én brengen was het wachtwoord, nieuwsgierigheid werd beleid. Geen instelling kan in de globaliserende wereld meer louter de eigen taal en cultuur of handelswaar promoten, het gaat om uitwisseling, dialoog, geven en nemen, kruisbestuiving en wederzijdse inspiratie. Wie nog enigszin wil meetellen zet de ramen open en kijkt van daaruit verdomd goed wat er aan de hand is.
Minister Rosenthal gooit de hele culturele diplomatie uit dat openstaande raam en verheft economische diplomatie tot het enige buitenlandse instrument van de BV Nederland. Het internationaal cultuurbeleid is vereenvoudigd, verengd tot de euro. Enige reflectie is niet aan de orde. Dominee en koopman gingen eeuwen hand in hand, nu gaat de koopman in zijn eentje verder, met zijn handeltje van Hollandse tomaten, bloembollen, chemicaliën, kaas en watermanagement - ook naar Frankrijk. Met cultuur heeft die voortaan alleenheersende koopman niets op. Precies zoals de onlangs overleden schrijfster Hella S. Haasse in 1988 al zei, is hij doordrenkt van 'wantrouwen jegens alles wat te maken heeft met creativiteit op cultureel gebied'.
Laat het IN haar creativiteit aanwenden om te tonen wat haar waarde is - ook economisch. En geef haar een beetje tijd. Juist een dergelijke grensoverschrijdende instelling kan partnerschappen sluiten, als brug functioneren voor de wetenschap en het bedrijfsleven. Niet alleen uitgevers en organisatoren van festivals kunnen de weg naar de Rue de Lille vinden, maar ook advocaten, hoogleraren, docenten, architecten en specialisten op het gebied van dijken en polders. Verhuur, vraag toegang, verhoog de inschrijvingen voor de cursussen, doe aan crowd funding, start bijzondere fondsen, vergroot de bekendheid van het IN in Nederland, zodat straks Henk en Ingrid die een weekendje naar Disney Parijs gaan óók de beroemde tekeningen van Rembrandt in hun combinatieticket hebben en geef ook de Fransen een podium in het IN.
Maar schrap niet de literatuur en het maatschappelijk debat, notabene juist de zaken waarvoor de Fransen zich bij uitstek interesseren, uit de programmering. De échte koopman verkoopt ook een heel assortiment en niet alleen tomaten.

maandag 6 februari 2012

Casanova is geen Don Juan

Ruim 7 miljoen euro betaalde de Bibliothèque Nationale de France vorig jaar voor het originele manuscript van Histoire de ma vie van Giacomo Casanova. De beroemde, achttiende-eeuwse Italiaan schreef in het Frans zijn levensverhaal. Meteen aan de ingang van de expositie die de BNF aan hem wijdt staat een vitrine met een van de dozen waarin de 3700 losse vellen werden vervoerd: een fluwelen box, folioformaat, vuistdik, met daarop in gouddraad de naam Casanova op het diepzwarte fluweel geborduurd. 'Histoire de Jacques Casanova de Saingalt, vénitien, écrite par lui-même à Dux en Boheme' staat er op de eerste bladzijde. Het handschrift is haastig, gedreven, met veel zwierige halen, lichtjes aflopend op de bladzijde. Het Frans is ook nu nog goed te begrijpen, al zijn sommige pagina's lastig leesbaar vanwege de vele doorhalingen en correcties, uitgelopen inkt en andere vlekken.



Casanova schreef Histoire de ma vie in een paar jaar, aan het eind van zijn leven, toen hij als bibliothecaris vertoefde op kasteel Dux in Bohemen - op doktersadvies. De ouderdom sloeg toe, gezondheidsperikelen verhinderden hem verder te leven zoals hij gewend was. Om niet dood te gaan van verveling, zette hij zijn belevenissen op papier. In gedachten beleefde hij opnieuw zijn avonturen. Hij werd weer jong.
In 1798, vlak voor zijn dood, geeft Casanova de dozen met de duizenden vellen in bewaring aan zijn neef. Diens kinderen verkopen het manuscript in 1821 aan de Duitse uitgever Friedrich Arnold Brockhaus uit Leipzig. Er verschijnt een gekuisde versie van enkele fragmenten in een Duitse vertaling. De vertaling wordt door een docent Frans uit Dresden terugvertaald naar het Frans, gecensureerd en geredigeerd. Lang werd aangenomen dat het manuscript de bombardementen op Leipzig tijdens de Tweede Wereldoorlog niet had overleefd, maar het bleek - naar verluid op de fiets - in veiligheid gebracht. In 1960 verschijnt een eerste complete versie van Histoire de ma vie in het Frans en volgt een raadselachtige periode waarin het originele manuscript weer verdwijnt - totdat er vier jaar geleden een telefoontje kwam van iemand die zei bereid te zijn het aan de bibliotheek te verkopen. Op het vliegveld van Zürich kreeg de directeur van de BNFde dozen en hun inhoud te zien. Toen er zich een anonieme weldoener meldde die bereid was de vraagprijs van ruim 7 miljoen euro op tafel te leggen, werd de koop gesloten.
Een jaar later toont de BNF trots haar aanschaf en bouwde er een schitterende tentoonstelling omheen. Het leven is een schouwtoneel en dat van de fameuze Giacomo Casanova al helemaal. Zakenman, alchemist, verleider, spion, reiziger, libertijn, uitvinder, boef, bibliothecaris, gokker - wat was hij niet? Hij was in ieder geval veel meer dan de spreekwoordelijke vrouwenverleider waar men hem nu vooral mee associeert. Tien schouwtonelen richtte de BNF in, die ieder een aspect van Casanova's leven over het voetlicht brengen. De eerste scene toont schilderijen en prenten van Venetië, waar Casanova in 1725 werd geboren; tekeningen van maskers tijdens het Carnaval; en een soort toverlantaarn waarmee door middel van beschilderde glasplaatjes beelden worden geprojecteerd. Gedimd licht voert je de barokke Venetiaanse wereld binnen.
Casanova wordt opgevoed door zijn grootmoeder. Als jongetje lijdt hij aan neusbloedingen en ze neemt hem mee naar een soort heks die rare dingen met hem uithaalt - een episode die zijn interesse voor het irrationele voedt en die hij later in geuren en kleuren zal blijven vertellen. Hij gaat rechten studeren in Padua, bedenkt zich en keert terug naar Venetië. Dan ambieert hij een carrière bij de kerk, maar zijn affaires en een desastreuze preek gooien roet in het eten. Een tijdje voorziet hij in zijn onderhoud als violist en legt zich toe op het kaartspel. Bij alle steden die hij tijdens zijn leven zal aandoen is hij een geducht tegenstander die het toeval aan zijn kant heeft staan. Een deel van de expositie toont bijzondere speelkaarten en andere spelen uit die tijd: trente-et-quarante, eenentwintigen, lansquenet, marseillaise, primiera, hombre, barcarolle, maar ook biljart, schaken, dammen, farao - menigmaal verloor Casanova zijn fortuin, maar even vaak won hij het weer terug.
In 1755 belandt Casanova  in de beruchte gevangenis van Venetië, vanwege  het bezit van verboden boeken over alchemie en kabbalistiek, en vanwege zijn libertijnse levenswijze (hij versierde dames van adel en ook een non, die de maitresse was van een machtige abt). Prachtig is het decor rond het fragment waarin Casanova beschrijft hoe hij zich voelt nadat hij, via het loden dak van de gevangenis, is ontsnapt. Vanuit de gondel waarin hij wegvaart ziet hij een fantastische zonsopkomst, dankbaarheid welt op in zijn hart, tranen kan hij niet langer onderdrukken. Hij vlucht naar Parijs.
Dan pas lijkt zijn leven echt te beginnen. Alle Europese hoven willen het verhaal horen van zijn spectaculaire ontsnapping, overal betekent zijn komst aantrekkelijk amusement. Zijn leven bestaat vanaf dat moment uit reizen: meer dan 67.000 kilometer zou hij de rest van zijn leven afleggen. De expositie toont voorwerpen die hij met zich meenam en eindeloze lijsten die hij maakte van noodzakelijke reisbenodigdheden: etui's, vorken, poederdozen, krultangen, zijden kousen, wandelstokken, kurketrekkers, lorgnetten, olie- en azijnflesjes, tabaksdozen, doosjes van schildpadschild, ringen, armbanden, fazanten, wijn, cadeaus van velerlei aard. De Europese machthebbers die Casanova ontvangen delen hun verborgen agenda met hem, huren hem in voor een geheime opdracht. Zo wordt hij spion, gewiekst handelaar en topnetwerker avant la lettre.
Een hele zaal toont tekeningen en prenten van alle grootheden die hij ontmoette:  de encyclopedisten Diderot en D'Alembert, 'die de kunst verstond iedereen te inspireren met wie hij sprak', de schilder Anton Mengs, paus Clemens XIII, Madame de Pompadour, de Duitse kunsthistoricus Johann Winkelmann en de dramaturg en staatscensor Crébillon père, die in het gezelschap van twintig katten leefde en Casanova's Frans perfectioneerde. Samen met de adellijke Madame d'Urfé, met wie hij een hartstocht voor alchemie deelt en wier fortuin hij schaamteloos plundert, bezoekt hij de filosoof Jean-Jacques Rousseau, 'die leeft van de muziek die hij copieert' en hen volgens Histoire de ma vie onbeleefd en ongeïnteresseerd tegemoet trad. Voltaire had geen hoge pet op van Casanova. 'Een soort grapjas' heeft hij ontmoet, schrijft hij aan zijn correspondenten. In de tussentijd timmert Casanova aan de weg. Overal probeert hij zijn commerciële ideeën aan de man te brengen. In Warschau presenteert hij grootste plannen voor een zeepfabriek. Catherina II van Rusland tracht hij over te halen een nieuw  landbouwsysteem in te voeren - tevergeefs.
Natuurlijk is er op de tentoonstelling ook aandacht voor alle geneugten van het leven zonder welke de dandy Casanova niet kon leven: verfijnde gerechten, goede wijnen, prachtige stoffen, mooie vrouwen. Het goede leven aan de Europese hoven wordt uitgebreid in beeld gebracht. Prachtig is bijvoorbeeld de tekening van François Bernard Lépicié (1744) waarop het nuttigen van een hemels ontbijt, met koffie en chocolademelk, wordt gevierd. Ook die van René Gaillard, waarop een stoffenverkoopster haar schitterende waar uitstalt is typerend voor het rijke leven dat Casanova ambieerde.

Recent gaan er stemmen op die het beeld van de verleider Casanova willen bijstellen. Ook de expositie maakt een onderscheid tussen Casanova en Don Juan, het verzonnen personage uit de gelijknamige comédie van Molière. Ten onrechte zouden de twee vaak verward worden. Volgens Bruno Racine, de directeur van de BNF, was Casanova, anders dan Don Juan, een teder man die nooit een vrouw tegen haar zin verleidde, een feminist zelfs! Ook de Belgische schrijfster Lydia Flem lijkt in haar boek Casanova ou l'Exercice du bonheur (Seuil) die visie te onderschrijven.


In publicaties rond deze tentoonstelling wordt Casanova bovendien uitgeroepen tot een van de grootste schrijvers van de 18e eeuw. Dat lijkt me toch wat teveel eer. 'Mijn leven is mijn onderwerp. Mijn onderwerp is mijn leven', schreef hijzelf. En dat is precies de waarde van zijn werk. Hij geeft ons, eeuwen later, een magnifiek inkijkje in een tijd die we ons nauwelijks meer kunnen voorstellen.
Modern - dat lijkt zijn levensstijl wel. Hij zocht naar een onmiddelijke bevrediging van al zijn behoeften, volgens een credo van lichtheid en lichtzinnigheid. Het was een man die open stond voor alle mogelijke experimenten, met een grote nieuwsgierigheid naar nieuwe ontwikkelingen of het nu ging om occultisme, de techniek van het duel of de laatste gezelschapsspelen. Een gewiekst reiziger die het netwerken heeft uitgevonden voor de term bestond. Maar vooral een man die trouw was en bleef aan één ding: zijn eigen vrijheid.

Casanova, la passion de la liberté, Bibliothèque Nationale de France in Parijs, te zien tot 19 februari. Gelijknamige, schitterende catalogus, BNF/Seuil, € 49.
Vanaf 2013 zal Histoire de ma vie in meerdere delen verschijnen in de Pleiadereeks.

donderdag 2 februari 2012

Bij de dood van Wislawa Szymborska

Gisteren overleed, in haar slaap, op 88-jarige leeftijd, de Poolse dichteres en nobelprijswinnares Wisława Szymborska (Kórnik, 1923). Ze was de dochter van Wincenty Szymborski, beheerder van de Zakopaanse bezittingen van de Poolse graaf Zamoyski, en Anna Maria Rottermund, die 20 jaar jonger was dan haar echtgenoot. In 1924 raakte haar vader zijn baan kwijt en verhuisde het gezin naar Krakau, de stad waar Szymborska haar hele verdere leven bleef wonen. Daar besloot ze op achtjarige leeftijd een roman te schrijven, daar studeerde ze Poolse taal- en letterkunde en sociologie, daar maakte ze de bezettingsjaren door, vreesde ze de Duitse en de Russische soldaat. Daar ook schreef ze in1945 het eerste gedicht dat, in verkorte vorm, van haar werd gepubliceerd: Ik wil dat een enkel woord/ met bloed doordrenkt zal zijn/ laat het als de muren van een stafcel/iedere collectieve grafterp in zich sluiten.



Na de oorlog, bij de eerste vergadering van de Poolse schrijversbond, ontmoette ze de grote Poolse dichter Czesław Miłosz. Aan haar biografen Anna Bikont en Joanna Szczęsna zou ze jaren later vertellen hoe 'de aanblik van een vergeestelijkte dichter, een cherubijn die een varkenskotelet zat te eten' haar verbijsterde. Krakau wordt hét centrum van het Poolse culturele leven, Szymborska is erbij en wordt er jaren later zelf het stralende middelpunt. Ze beschouwde de vrolijke culturele avonden als verzet tegen ,,de absurditeit van de Poolse politiek", zei ze in 2007 in een interview met deze krant.
In 1948 trouwde Szymborska met de dichter en criticus Adam Włodek en verhuisde ze naar een schrijverspand in het centrum. Buitenlandse beroemdheden kwamen bij hen langs, Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir bijvoorbeeld. ,,Hij stond daar met dat geheven vingertje", vertelde Szymborska, ,, en zei dat we van Rusland af moesten blijven. Rusland was onze enige hoop, verkondigde hij. Daar moest ik toen al erg om lachen, hij wist niet eens waar Polen precies lag". De Beauvoir vond ze toen,,een soevereine, dappere vrouw. Ze was meer dan ‘de vrouw van’. Later kwam Graham Greene ook bij ons langs. Aan hem heb ik hartelijke herinneringen.”
In de jaren vijftig schreef Szymborska sociaal-realistische poëzie en 'dichterlijke journalistiek' vanuit een (tijdelijke) communistische overtuiging (Je koos het leven/ van een communist. En de toekomst/wacht op jouw zeges). 'Ik behoorde tot een generatie die geloofde', zei ze daar later over.
Szymborska was lange tijd poëzieredacteur bij toonaangevende weekbladen, zoals het weekblad Zycie Literackie (Het literaire leven).  Meer dan 40 jaar jaar schreef ze feuilletons over boeken, onder de titel Onverplichte literatuur. Het waren beschouwingen over de meest uiteenlopende zaken, van encyclopediëen en herbaria tot boeken over de natuur.
In de tussentijd gaat ze door met het publiceren van gedichten, bijna 20 bundels in totaal - een relatief klein oeuvre met een enorme uitstraling. Toegankelijk zijn haar gedichten, helder, speels, ironisch en vaak met een kwinkslag, in Nederland prachtig vertaald door Ad van Rijsewijk (die vorig jaar samen met John Albert Jansen een mooie documentaire over haar maakte), Gerard Rasch en Karol Lesman. In de jaren 90 vielen haar grote prijzen ten deel, de Goethe Prijs (1991), de Herder Prijs (1995), de Prijs van de Poolse PEN (1996) en tenslotte, in 1996 de Nobelprijs. 
Ze moet een van de minst geïnterviewde nobelprijswinnaars zijn.  ,,Interviews gaan altijd over jezelf en over wat je doet. U weet, daar wil ik niet over praten”, zei ze in 2007 in haar woning, die getuigde van haar voorkeur voor kitsch en curiosa. Waar ze wel over wilde praten was een andere passie, het maken van collages, waarvoor ze alles gebruikte wat ze maar tegenkwam: plaatsjes van apen, engeltjes, ballerina’s, neanderthalers, alles. ,,Als je schrijft ben je alleen, moet je je concentreren op je eigen gedachten, dan is handwerk een vorm van tot rust komen".
In Amsterdam had ze een goede kennis, vertelde ze, ,,ik heb hem een paar keer opgezocht. U zult hem ook wel kennen: Vermeer! Die bewonder ik. Waarom? Ach, wat kunst met je doet kun je niet uitleggen. Die melk die daar al zo’n 300 jaar zo mooi uit dat melkkannetje stroomt, dat licht, die kleurrijke gordijnen..".

Achter haar ogenschijnlijke vrolijkheid, haar sigaret en haar glas cognac school een diep doorleefd besef van de existentiële tragiek. Daaraan gaf ze haar eigen vorm, in poëzie die een uitzonderlijk groot lezerspubliek bereikte. In de bundel Dubbele punt staat een gedicht over ouder worden en vergankelijkheid, De oude professor. Een oude man wordt gevraagd naar de tijd van vroeger, zijn vrienden, zijn gezondheid. ‘Zij verbieden mij koffie, wodka, sigaretten,/ het meedragen van zware herinneringen of voorwerpen./ Ik moet doen of ik het niet hoor,/ antwoordde hij. (..) Als het ’s avonds mooi weer is, kijk ik naar de hemel./ Ik blijf me verbazen’.
,,Dat gedicht gaat over mijzelf", zei Szymborska toen, ,,verwondering is de belangrijkste missie van de dichter.







zondag 29 januari 2012

De leeuwenjager en Manet - een schitterende roman

Een meesterlijke avonturenroman, een grandioze, persoonlijke schets van een van Frankrijks beroemdste schilders, een amusant zelfportret van een erudiete, rond de wereld reizende grumpy old man, een levendige geschiedenisles en een schitterende reflectie op wat literatuur vermag - de recentste roman van Olivier Rolin is het allemaal. De jury's van Frankrijks literaire prijzen hebben in 2008, toen het boek verscheen, collectief zitten slapen: het steekt met kop en schouders boven alle bekroonde romans van dat jaar uit. De roman is bovendien uitstekend in het Nederlands vertaald, een prestatie van formaat van Katelijne de Vuyst, want Rolins stijl is knap lastig, zijn zinnen lang en kronkelig en zijn taalgebruik kent vele registers.



De leeuwenjager en Manet kent drie verhaallijnen, die van Eugène Pertuiset, alisas de leeuwenjager, die van de schilder Edouard Manet (1832-1883) en een dunnere, maar niet minder onderhoudend, die van de schrijver zelf. Rolin (1947) begint met de beschrijving van het schilderij waar het allemaal om draait, dat van De leeuwenjager, die ook op het boekomslag staat afgebeeld. Eerst de leeuw met 'wijd opengesperde muil boven de hoektanden, onder het starre, glanzend zwarte oog', 'een gat waaruit wat bloed sijpelt'. Op de achtergrond werpen 'spichtige bomen een lichte schaduw af, doorpriemd met vlekken van gelig roze zonlicht'. Dan de jager, 'gewurmd in een groene, haast zwarte jas met vergulde knopen (..), open kraag op een worstelaarsnek'. Sympathiek vindt de verteller hem niet. De jager ziet eruit 'alsof hij, ergens op een dorpskermis, zijn hoofd heeft gestoken in een gat van een decor', hij heeft 'het uitdrukkingsloze gezicht van een bruut', 'zwaar, opgeblazen, dichte opgetrokken wenkbrauwen', een 'charcuterieroze teint, een vlekkerig roze gezicht' en hij beantwoordt 'aan het beeld van de dorpswaard van weleer, je verwacht een handdoek over zijn schouder in plaats van een geweer'. Waarom - en dat is meteen een van de kernvragen van de roman - waarom heeft Manet, 'de blije, blonde Manet, / een en al gratie en cachet', deze dikzak geschilderd? 'Hoe is de zo spirituele Manet ertoe gekomen het portret te maken van deze lummel met zijn uitgedoofde blik?'.
In zijn roman geeft Rolin, stukje bij beetje, het antwoord op deze vraag. Het schilderij van Pertuiset ontdekte Rolin in 2006 in het Museu de Arte van Sao Paulo, maar 20 jaar eerder was hij de man ook al tegengekomen in een boek dat hij had gekocht in Punta Arenas, het zuidelijkste punt van Chili, bij Straat Magellaan. Daarin stond dat Pertuiset in 1873 een expeditie naar Vuurland had geleid - al met al reden genoeg voor Rolin om een tocht in zijn voetstappen te ondernemen. Het relaas van het leven van deze 'buitenissige opschepper' is ronduit hilarisch en de manier waarop Rolin het - droog en afstandelijk - vertelt uitermate geestig. Pertuiset heeft zijn titel van leeuwenjager van een 'voormalig officier bij de spahi's' geërfd, wilde hem niet zonder meer dragen en heeft erg zijn best gedaan werkelijk een leeuw te schieten. Dat lukt uiteindelijk in Jemmapes, Algerije, maar niet eerder dan na een reeks groteske mislukkingen - iets waarop deze Pertuiset sowieso het patent heeft. Wat hij ook doet - de man is ontdekkingsreiziger, uitvinder, wapenhandelaar, magnetiseur en vuurwerkmaker - het loopt op de een of andere manier spaak. Maar wat een mooie verhalen levert dat op, onder de onderkoelde, licht ironische pen van Rolin. Wat is waar en wat is verzonnen? Je komt er niet helemaal achter. Zijn personage is immers 'onderdeel van de verglijdende tijd: de getuigen gaan dood, vervolgens ook zij die de verhalen hebben gehoord, het wordt stil, het weinige wat niet verloren ging, wordt een roman'.
De verhaallijn die Manet volgt brengt tezelfdertijd een heel tijdperk uit de Franse geschiedenis tot leven. Levens kruisen elkaar, gebeurtenissen beïnvloeden elkaar op onvermoede wijze, alles heeft met alles te maken. Rolin is een meester in het vervlechten en verzinnen van al die kleine maar veelzeggende momenten die een bruggetje slaan van de een naar de ander. En passant zet hij de schilderijen van Manet in hun context. In het beroemde schilderij Het balkon bijvoorbeeld ziet hij als de allegorie van zijn onmogelijke liefde voor de schilderes Berthe Morisot, die zijn broer zou trouwen. 'Handen die een waaier omsluiten, de prachtige weemoed'. Op het schilderij staat ook Manets vrouw afgebeeld, 'de Hollandse, een pianiste die in het ziekenhuis van Chaillot Wagner speelde voor de stervende Baudelaire'. Keer op keer schildert Manet Berthe Morisot. 'Ze weten dat ze elkaar kwijtraken, dat ze elkaar nooit zullen toebehoren. De schilderkunst zegt wat verdwijnt. De boeken ook'.
Olympia, Déjeuner sur l'herbe, Muziek in de Tuileriën, De executie van keizer Maximiliaan - tegen de achtergrond van Manets schilderijen laat Rolin Victor Hugo figureren, Flaubert, de gebroeders Goncourt, Théophile Gautier, Nadar of Verlaine. Maar hij maakt ook de grote geschiedenis voelbaar: als in 1870 de Pruisen voor de poorten van Parijs staan, laat hij Manet als soldaat in de Nationale Garde het beleg van Parijs schetsen. Een jaar later, als de president van de Derde Republiek de opstand met harde hand heeft onderdrukt, observeert Manet de terechtstellingen van de communards. Manet is 'hartstochtelijk nieuwsgierig naar het reilen en zeilen van de wereld, en de wereld is een stierengevecht, of een naakte courtisane op haar bedstee, een absintdrinker, een bierserveerster, een bos pioenen - dat alles zonder onderscheid (..) De kunst moet zich met alles durven meten'. En dus observeert hij de executie van de zesentwintig jaar oude kapitein Rossel, die als enige officier de kant van de Commune koos en 'een volslagen paria' werd. 'Ik voel me helemaal ontheemd in de wereld', schrijft de kapitein vanuit de gevangenis aan zijn zus.
Daar haakt Rolin op in: het personage dat hem fascineert is niet de militant Rossel, maar de 'veel romantischer figuur van de avonturier'. Ook Rolin verlangt 'tegelijktertijd naar broederlijkheid en naar eenzaamheid'. Ook hij voelt zich ontheemd in de wereld. De 'onverzettelijke, wanhopige Rossel' behoort tot de helden die Rolin als 'idealistische en theatrale twintiger koesterde'. Zo vlecht de verteller bij tijd en wijle, in passages tussen ronde haken, ook zichzelf in zijn boek. Hij herinnert zich dat er in zijn kindertijd een schoensmeer bestond die  Zwarte Leeuw heette, vertelt over de mooie Isabel die hij in Sao Paulo ging opzoeken in de hoop dat ze met hem mee terug zou gaan, beschrijft hoe het café waar Manet in zijn tijd vaak kwam er nu uitziet en vertelt duizend andere wetenswaardigheden.
En zowaar - ook Rolin vat, in de voetsporen van Manet, heel langzaam een zekere vriendschap op voor die rare Pertuiset die hij een hoofdrol heeft gegeven in zijn boek. Die naïviteit, die onbeholpenheid, die groteske manier van doen, dat hoofd vol baarlijke nonsens - het heeft ook zijn charme. Zoals Manet Pertuiset schilderde, schreef Rolin diens levensverhaal 'zoals het had kunnen zijn'. Op zijn zoektocht pluist hij, de man die stamt 'uit het tijdperk van de verdwenen woorden' kranten uit van eeuwen geleden. Hij gaat op in 'namen van een verre wereld', volgt nauwgezet het spoor van romantische avonturiers uit vervlogen tijden. Rolin bewijst dat hij een schrijver is die met woorden kan schilderen. Altijd op zoek naar de verloren tijd, het 'land waar het voorbije leven zich vermengt met het gedroomde'. Schitterend.

Olivier Rolin: De leeuwenjager en Manet. Met kleurenkatern. Vert. door Katellijne De Vuyst. Uitgeverij IJzer. € 18,50

zondag 1 januari 2012

Tablet & Pen, Literary Landschapes from the modern Middle East

De kersverse 'onsterfelijke' Amin Maalouf, de Frans-Libanese auteur die onlangs als nieuw lid van de Académie française werd gekozen, heeft aangekondigd dat hij actief zal bijdragen aan het werk van de commissie die zich bezig houdt met de etymologie van het Frans. Het gaat het hem er niet alleen maar om aan te geven dat veel Franse woorden van Arabische oorsprong zijn: het aangeven hoe talen met elkaar verbonden zijn 'gaat veel verder dan het taalkundige aspect' en 'geeft een veel bredere boodschap af'. Als je kunt aangeven hoe innig talen met elkaar verbonden zijn, bedoelt Maalouf, zullen mensen die die verschillende talen spreken ook sneller geïnteresseerd zijn in elkaars taal en cultuur en, wie weet, in het verlengde daarvan, in elkaar.
Een variant op deze gedachte ligt ten grondslag aan de prachtige uitgave Tablet & Pen, Literary Landschapes from the modern Middle East, samengesteld door de Iraans-Amerikaanse auteur en wetenschapper Reza Aslan. In dit vuistdikke boek bracht hij tientallen fragmenten bij elkaar uit honderd jaar literatuur uit het Midden-Oosten, van Marokko tot Iran, van Turkije tot Pakistan. Een legertje van 77 vertalers vertaalde zijn selectie van korte verhalen, essays, gedichten en romanfragmenten uit het Arabisch, het Perzisch, het Turks of het Urdu naar het Engels.



Wie het boek leest, zo denkt Aslan, zal hopelijk voortaan bij de term 'Midden-Oosten' niet meer in eerste instantie denken aan terrorisme, fanatisme en gewelddadige islam. Het moet maar eens afgelopen zijn met die stereotiepe clichés die het westen koestert ten aanzien van alles en iedereen uit het Midden-Oosten, met de negatieve beelden, de angst en de afkeer. Dit boek wil een stap zijn op weg naar een nieuw paradigma, een positief beeld van het mozaïek dat het moderne Midden-Oosten is. Net als Maalouf is Aslan ervan overtuigd dat muziek, literatuur en beeldende kunst een brug kunnen slaan tussen mensen uit verschillende werelddelen die louter vooroordelen en negatieve beelden koesteren ten opzichte van elkaar.
Interesse is er in ieder geval wel. Het boek werd in de anglofone wereld een 'surprise hit', net als Aslans eerdere antologie met de provocerender titel Literature from the 'Axis of Evil': Writing from Iran, Iraq, North Korea and Other Enemy Nations. Beide boeken waren een initiatief van Words without Borders, een organisatie die de VS ervan wil doordringen dat er buiten de grenzen van Amerika ook literatuur wordt geschreven. En dat die ook nog eens interessant is. Words without Borders,  opgericht in 2003, stelt zich tot doel internationale literatuur te vertalen, uit te geven en te promoten - en dat alles voor een Engelstalig publiek. Iedere maand zijn op de website http://wordswithoutborders.org/ een aantal nieuw vertaalde verhalen, gedichten of essays te vinden, die uitgevers en lezers op ideeën kunnen brengen. Het on-line tijdschrijft is een bron van inspiratie en literaire ontdekkingen en wordt maandelijks door 30.000 nationale en internationale volgers bezocht. In Nederland begon het Letterenfonds onlangs met een vergelijkbaar initiatief op www.schwob.nl.
Hoe inspirerend is Tablet & Pen? Is zo'n anthologie daadwerkelijk in staat het gangbare beeld van het Midden-Oosten te veranderen? Inspirerend en educatief is het boek absoluut. Aslan heeft niet alleen een groot aantal literaire fragmenten naast elkaar gezet, maar ook een overtuigende, becommentariërende, rode lijn in die enorme hoeveelheid teksten aangebracht.  Wat de hele regio samenbindt is de koloniale ervaring van het Westerse imperialisme, de geschiedenis van uitbuiting en ongelijkheid, van de strijd voor onafhankelijkheid en de interne machtsstrijd die volgde.  Chronologisch doorloopt de lezer de hele eeuw. Van 1910 tot 1950 is literatuur vooral een middel voor het scheppen van een nationale identiteit: veel Arabische landen voeren hun onafhankelijkheidsstrijd, het nieuwe Turkije zoekt naar een middel om uitdrukking te geven aan de nieuwe staat en op het Indiase continent probeert het nieuwe Pakistan zijn stem te vinden. In de dertig jaar daarna, tot 1980, worden conflicten uitgevochten, groeit en verstedelijkt de bevolking in het Midden-Oosten en neemt de werkeloosheid toe. Schrijvers en dichters worden de woordvoerders van het volk en vertegenwoordigen vooral de dissidente, kritische stemmen. De afgelopen dertig jaar staan, volgens Aslan, ook literair gezien, in de schaduw van 9/11 en de War on terror. Tegelijkertijd verwatert het begrip 'grens',  een hele nieuwe geglobaliseerde schrijversgeneratie weet nauwelijks meer wat daarmee bedoeld wordt.
Met nadruk schrijft Aslan dat hij geen anthologie van literatuur uit 'de moslimwereld' heeft willen maken. Niet alleen identificeren veel schrijvers zich helemaal niet met de term 'moslim', er bestaat volgens hem ook helemaal niet zoiets als een eenduidige, monolithische moslimwereld. Je kunt je ook afvragen of de term 'landschap van het moderne Midden-Oosten' voor iedereen ook per definitie Turkije, India en Pakistan omvat. Het gaat Reza niet zozeer om nationaliteiten of grenzen, maar om 'intention, circumstance and setting', en dan vooral om het gemeenschappelijk ervaren gevoel altijd maar te worden weggezet als 'de ander', de 'vreemdeling' - door de Amerikaan, de Europeaan, de westerling wel te verstaan.
In zijn boek heeft Reza dus vooral stemmen verzameld die dat beu zijn, die luid en duidelijk tegen die stigmatisering protesteren, of dat nu vroeg in de 20e eeuw was of nog maar een jaar of tien geleden. Zijn boek opent met een fragment uit een manifest van de Libanees-Amerikaanse schrijver Khalil Gibran (1883 - 1931), The future of the Arabic Language uit 1923, waarin de kracht en de macht van het Arabisch wordt gezongen.  Het Arabisch nationalisme ging samen met een herleving van het Arabisch in de door de Turken bezette landen: 'Let your national zeal spur you to depict the mysteries of pain and the miracles of joy that characterize life in the East, (do not) translate the most beautiful and the most respected of what the Westerners have written'. Uit dezelfde periode citeert Reza bijvoorbeeld ook de grote Turkse schrijver Nâzim Hikmet, de Perzische auteur Sadegh Hedayat en werk van de Pakistaan Muhammad Iqbal.
De periode 1950 - 1980 laat Reza beginnen met de woorden van de Palestijnse schrijver Ghassan Kanafani: 'politiek en de roman zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden'. De postkoloniale generatie Arabische auteurs komt op voor de onderdrukten en de armen en doet dit in een een combinatie van door het Westen geïnspireerde vrije verzen en traditioneel Arabisch ritme, zoals de Syrische dichter Zakariyya Tamir en de Irakees Mozaffar al-Nawwab. De poëzie van de beroemde, eeuwige Nobelprijskandidaat, de  Syrisch-Libanese dichter Adonis draait om het thema van de Arabische identiteit terwijl zij tegelijkertijd is geïnspireerd op de gedichten van T.S. Eliot en Walt Whitman. De stichting van de staat Israël in 1948 en de vernedering van de Arabische legers door Israël in 1967 brachten decennialang alle pennen in beweging. De droom van een pan-Arabische eenheid viel in duigen en wordt weerspiegeld in literatuur over sociale chaos en politieke onderdrukking. Ter illustratie neemt Reza vertalingen op uit werk van de Egyptische schrijver Yusif Idris (The aorta), Haydar Haydar uit Syrië (The dance of the savage prairies) en van de enige Arabische auteur die ooit de Nobelprijs kreeg, Naguib Mahfouz (The seventh heaven).
Prachtig, en prachtig vertaald ook, is de poëzie van de Iraanse dichteres Forugh Farrokhzad (1935 - 1967), die profiteerde van een korte periode van vrijheid in haar land, verboden thema's verwoordde en de situatie van haar sekse aan de orde stelde. 'A window for seeing./ a window for hearing./ A window like a well (..)/ One window is enough for me. Of: 'I have sinned a rapturous sin/In a warm enflamed embrace,'/Sinned in a pair of vindictive arms,/ arms violent and ablaze.'
De periode vanaf 1980 is een tijdperk van ongekende onrust en verandering, van de Iraanse revolutie tot de intifada, van 9/11 tot de opkomst van de islamisten - het Midden-Oosten is heftig in beweging, wat je volgens Reza terugziet in de literatuur van nu, 'unique and vibrant'. Literatuur is bovendien, door de globalisering, grenzeloos geworden. Arabische schrijvers stellen hun pen niet zozeer in dienst van politieke doeleinden, de strijd tegen de invloed van het Westen of nationalisme. Ze kijken naar zichzelf, naar de wereld waarin ze leven en geven uiting aan hun gevoelens daarover.
Indrukwekkend zijn de paar pagina's van de Irakese schrijfster Haifa Zangana (1950) over angst, arrestatie en de praktijken in de Abu Ghraib gevangenis. 'What is to happen? What will we do? What will our future society - our dream - be like? (..) I wonder if.. is still alive?'. Geestig is het fragment van de Iraans-Armeense schrijfster Zoya Pirzad (1952) wier werk in Franse vertaling succesvol is. De laatste dichtregels zijn van de Iraanse dichter en journalist Alireza Behnam (1973) waarin oorlog en geschiedenis door elkaar heen zijn gevlochten, 'ask me about the future/I'll reply in Babylonian.
Literatuur wil een venster zijn op andere werelden, schrijft Reza, laat Tablet & Pen dan een verzameling patrijspoorten zijn die een glimp laten zien van het literaire landschap van het Midden-Oosten.
Voor wie erdoor wil kijken gaat er een wereld open.  

Tablet & Pen. Literary Landscapes from the modern Middle East. Edited by Reza Aslan. A Words without borders anthology. W.W. Norton & Company, New York/London. 657 blz. Prijs € 35,95

donderdag 29 december 2011

Interview met Turkijes populairste auteur: Elif Shafak

Rust is niets voor haar, van stilte wordt ze nerveus, schrijven doet ze het liefst midden tussen de mensen. Wellicht heeft ze daarom voorgesteld elkaar te treffen in het Serpentine Café in Hyde Park, vlakbij Winter Wonderland, waar tegen Kerst half Londen zich verzamelt rond de ijsbaan, het circus, het houtvuur en de food fair. Schrijfster Elif Shafak (1971) woont tegenwoordig met haar twee jonge kinderen in Londen, maar reist zo vaak mogelijk naar Istanboel, waar haar man woont en werkt. Als dochter van een alleenstaande Turkse diplomate is ze opgegroeid met de hectiek van koffers pakken, verhuizen en weer opnieuw beginnen. Na haar studie sociale en politieke wetenschappen doceerde ze aan universiteiten in Istanbul en de VS. Voortdurend reisde ze heen en weer. Tegelijkertijd schreef ze een literair oeuvre bij elkaar van inmiddels een tiental internationaal succesvolle romans, van De bastaard van Istanbul tot Het luizenpaleis en Geheim. Het maakte haar tot Turkijes populairste schrijfster.


In haar leven miste Shafak precies datgene in het leven ,,wat iedereen nodig heeft, een centrum, continuïteit en coherentie. Ik had vanaf mijn jeugd nooit een centrum, ik ben niet in een stabiele gezinsomgeving opgegroeid. Ik was geen onderdeel van een een grote patriarchale familie zoals andere kinderen van mijn leeftijd. In mijn gezin lag de autoriteit niet bij een vader, maar bij een alleenstaande moeder en, gedurende een bepaalde periode, mijn grootmoeder. Met mijn moeder leidde ik een nomadisch leven, je kon vandaag hier zijn en morgen daar".
Werd daarom het schrijven uw centrum?
Ja, je bent nog steeds niet echt ergens geworteld, maar je bestaat niet meer uit louter deeltjes die in de ruimte zweven. Ik neem mijn verbeelding overal met me mee, alles wat ik nodig heb is pen en papier. Als je schrijft verbind je al die stukjes met elkaar. Het helpt je ook bepaalde thema's te herkennen die belangrijk voor je zijn. Schrijven is als een spiegel, het laat je zien dat je geen pure chaos bent.
In januari verschijnt Zwarte melk, een roman waarin Shafak schrijft over de postnatale depressie waarin ze belandde na de geboorte van haar eerste kind. Ze laat er meerdere vrouwelijke 'ikken' aan het woord,  stemmen die zich in haar roerden, ieder een afspiegeling van haar meervoudige identiteit.
Waarom voor het eerst een autobiografische roman?
Mijn eigen leven was tot nu toe nooit het startpunt van een boek, doorgaans vind ik mezelf saai. Wat me intrigeert zijn andere levens, andere mensen - daar verplaats ik me graag in. Maar nu had ik de behoefte naar binnen te kijken, ik moest mezelf hervinden. Schrijven helpt daarbij. Zwarte melk is voor mij niet alleen een boek over postnatale depressie, maar over creativiteit en pluraliteit. Iedereen heeft meerdere stemmen in zich, vrouwen én mannen. Mijn boek gaat over de noodzaak met die stemmen onderling een innerlijke democratie te bereiken.
Een ander voorbeeld van de fragmentatie die je in het leven en werk van Elif Shafak terugvindt, is het feit dat ze in twee talen schrijft, Turks en Engels.
We zijn niet dezelfde persoon in de ene en in de andere taal. Een taal vormt ons, bepaalt de manier waarop we denken, spreken, interpreteren. Toen men in de jaren '20 een nieuwe Turkse staat creërde, was het Turks daar een belangrijk onderdeel van. Woorden van Perzische, Arabische en Soefi-oorsprong moesten verdwijnen. De taal moest homogener worden. Daar sta ik erg kritisch tegenover. Als er twee woorden zijn voor 'glas' bijvoorbeeld, een oud en een nieuw, dan kan ik het oude niet gewoon weggooien en door het nieuwe vervangen. Als onze woordenschat krimpt, slinkt ook onze verbeelding.
Wanneer kiest u voor Engels, wanneer voor Turks?
Het verhaal beslist. Engels is niet mijn moedertaal, maar er zijn steeds meer 'laatkomers' zoals ik, een nieuwe categorie mensen die in het dagelijks leven een andere taal gebruiken dan hun moedertaal. Als ik over verdriet schrijf, kan ik dat gemakkelijker in het Turks doen, het Turks is melancholieker. Voor humor, ironie of filosofie leent het Engels zich beter.
In Turkije is onlangs een nieuw boek van u verschenen, Iskander, dat sindsdien in de bestsellerlijst staat. In het Engels gaat het boek 'Honour' heten.
Dat boek heb ik eerst in het Engels geschreven, toen in het Turks vertaald en herschreven. De cover heeft in Turkije enorm opzien gebaard. Het is een foto van mijzelf als man, in een mannenpak. Iedereen was geshockeerd. Het gaat over een half Turkse, half Koerdische familie, over individu versus familie-eer. Ik wilde laten zien hoe we mannelijkheid construeren, hoe we onze zonen opvoeden als sultans in huis en hoe liefde daardoor onmogelijk gemaakt wordt.
U schrijft veel over het soefisme. In de VS is de 13e eeuwse Perzische soefi-mysticus Rumi zelfs de meest gelezen dichter. Hoe verklaart u dat?
We leven in een versplinterde, gepolariseerde wereld, met veel vooroordelen en xenofobie. Juist daardoor ontwikkelen mensen een spiritueel verlangen. Mensen die een gedicht van Rumi lezen worden erdoor geraakt, ook al spreken ze geen Iraans of Turks, ook al weten ze niets van de islam. Dat heeft niets met kennis of onderwijs te maken. Die herkenning zit in onze ziel, het is onderdeel van de universele wijsheid die we delen, ongeacht onze huidskleur, onze sekse of ons geloof. Ongeacht hoe rijk of succesvol je bent, we voelen diep in onszelf dat we incompleet zijn en het is goed om naar die innerlijke stem te luisteren. Tegelijkertijd is er godzijdank een groeiend gevoel van verbondenheid in de wereld. Door de financiële, ideologische crises, maar ook door het terrorisme zijn we ons ervan bewust geworden hoe onderling verbonden we zijn. Niemand is meer geïsoleerd, niemand heeft meer de luxe te zeggen: dat gebeurt elders op de wereld, dat gaat me niet aan. Als een Pakistaan ongelukkig is, beïnvloedt dat het leven van een Spanjaard of een Canadees. We delen alles, alle verhalen zijn onderling verbonden.
Welke vraag je ook stelt, steeds komt Shafak terug op het vertellen van verhalen. Verhalen reizen de grenzen over, zijn universeel, hebben geen paspoort nodig. Ze observeert, volgt de verhalen van mensen, reflecteert, neemt ze met zich mee op reis. Als een ekster pikt ze de verhalen op en neemt ze mee naar een andere plek. Ook de Occupy-beweging beschouwt ze in eerste instantie als een interessant verhaal.
Die beweging bevraagt het centrum. Jarenlang hebben we een eurocentrische houding gehad. Europa was het centrum van alles. Nu zijn er andere politieke, ideologische en financiële centra ontstaan. Het paradigma is verschoven naar Brazilië, India en Turkije, de nieuwe economische machten. Ik ben altijd geïnteresseerd in verhalen uit de periferie. Die zijn lokaal gevormd en universeel van betekenis. Rumi gebruikte de metafoor van het kompas: het ene been van het kompas staat vast, het andere trekt cirkels, gaat de wereld in. Het is belangrijk om Nederlander of Turk te zijn én wereldburger. Zo vinden we de overlappende gebieden die ons binden. Als je één strikt gedefinieerde identiteit hebt, vind je nauwelijks dingen die we gemeen hebben.
Ja, van de Nederlandse politicus Wilders en zijn uitspraken over de islam heeft ze gehoord. Ook van de mening van sommige politici dat Nederlanders maar één paspoort mogen hebben en één nationaliteit.
Ik vrees dat iedere extreme uitspraak elders op de wereld een ander soort extremisme creërt. Anti-islam retoriek creërt meer anti-Westerse sentimenten, anti-Westerse gevoelens roepen meer anti-oosters discours op, het is een vicieuze cirkel. Islam is net als het jodendom en het christendom een wereldreligie. Die is niet monolitisch, bestaat niet uit één kleur, één stem, is niet statisch, maar dynamisch. Er zijn zeker extremisten die zich moslim noemen, maar je kunt hun visie niet generaliseren en als representatief beschouwen voor de hele islamitische wereld, met miljoenen mensen zoals mijn grootmoeder, vol van liefde, vol compassie.
Dat mensen maar één paspoort zouden mogen hebben, is een grote vergissing. We zouden juist het tegenovergestelde moeten verdedigen. We hebben meer mensen nodig met een band met meer dan één cultuur. Waarom zouden we de opties die mensen hebben verkleinen in plaats van vergroten? Waarom zou iemand niet tegelijkertijd Nederlands én Amerikaans staatsburger kunnen zijn? Of Nederlands en Marokkaans of Turks? Extremistisch gedachtegoed tolereert geen meervoudigheid. Maar dat is wel de realiteit van de wereld waarin we leven.
In de New York Times publiceerde u een artikel getiteld 'Finally, Turkey looks East'. Hoe kijkt Turkije momenteel naar Europa?
Je kunt niet generaliseren, Turkije is zo'n heterogene maatschappij. Maar als ik kijk naar de Turkse media, dan is het feit dat sommige Franse politici Turkije's EU lidmaatschap hebben verworpen wel aanleiding tot wrok. Als je hoort dat je ergens niet welkom bent, ga je ergens anders naar toe. Maar nog steeds willen veel Turken, ik ook, dat ons land lid wordt. Op de lange termijn is het gezonder als mensen met verschillende achtergrond dezelfde waarden hebben van democratie, mensenrechten en vrijheid van meningsuiting. Van oudsher zijn wij Turken opgegroeid met literatuur uit het Westen, niet met die uit het Oosten. We kennen de Franse schrijver Balzac beter dan de Egyptische Nobelprijswinnaar Naguib Mahfouz. Vroeger beschouwde de Turkse elite Europa als het ideaal, ze wilden oosterse elementen laten verdwijnen. Sommige delen van de Turkse militaire en politieke elite wilden, begin vorige eeuw, een heel nieuwe staat bouwen zonder rekening te houden met onze geschiedenis. Vergelijk dat eens met Engeland, waar er 500 jaar oude tradities zijn! Nu groeit in Turkije het besef dat continuïteit geven aan het verleden belangrijk is, er wordt meer verbinding gezocht met het oosten. Turkije is seculier en democratisch. Ik zeg niet dat de democratie er volwassen is, maar het heeft lang geleden wel voor democratie gekozen. Het is een dynamisch land, waar de grote meerderheid jong is en moslim. Turkije brengt dus een heleboel elementen samen, uit het westen én het oosten, van het verleden én de toekomst.
Wat ziet u als de grootste uitdaging voor de komende tijd?
Het creëren van een gezonde coëxistentie, niet alleen voor Turkije en de EU, maar overal. Hoe te leven zonder elkaar als bedreiging te zien? Als schrijver weet ik dat creatieve energie voortkomt uit de botsing van verschillen, of dat nu economisch, sociaal of filosofisch is. Creativiteit wordt niet gevoed door monotonie en onveranderlijkheid. Ik word bang van homogene plekken, waar iedereen op elkaar lijkt, waar het leven altijd hetzelfde is, waar ieder onderscheid verdacht wordt gevonden. Uit onveranderlijkheid komt geen creatieve kracht voort, uit vermenging wel.