dinsdag 13 september 2011

Amélie Nothomb: Tuer le pere

Tuer le père heet het meest recente boekje van Amélie Nothomb, de schrijfster die sinds Le monde des livres na de zomer een nieuwe redactie heeft gekregen, regelmatig een column voor die bijlage mag schrijven. Het is het verhaal van Joe, een jongen die enorm vingervlug is en een fascinatie heeft voor goochelen. Niemand die hem in kaarttrucs overtreft. Behalve de professionele goochelaar Norman dan, die hem, als hij door zijn moeder uit huis wordt gezet, liefdevol opvangt en hem in huis neemt en opleidt tot topgoochelaar.
Joe's nieuwe vader woont in Reno, Nevada, samen met de mooie Christina, een vuurdanseres die met vuurkegels goochelt. Joe is nog maar net binnen of hij neemt zich voor Christina te veroveren. Tuer le père - precies, helemaal volgens het boekje van Freud.
Het moet een van de vele manuscripten zijn die Nothomb in de loop der jaren bij elkaar heeft geschreven. Naar verluid haalt ze ieder jaar een exemplaar uit de kast en stuurt ze het naar haar uitgever. Ieder jaar één. Jammer genoeg is Tuer le père een verhaal zonder kraak of smaak, de personages blijven zo plat als een dubbeltje. Daar kan het zogenaamd verrassende einde, dat waarschijnlijk het verhaal in een heel ander perspectief moet zetten, niets aan veranderen. Een draak van een boek.
Volgend jaar beter.

maandag 5 september 2011

Een flottielje zonder vijanden


Gisteren ontmoette ik de twee Chinese schrijvers die in het kader van de culturele uitwisseling tussen Peking en Amsterdam, zes weken in Nederland vertoeven: Su Tong en Mian Mian.
Van Su Tong verschenen in het Nederlands een paar heel verschillende romans, De rode lantaarn, Mijn leven als keizer, Rijst en Binu en de Chinese muur. Mian Mian schreef Panda sex, dat met name in Frankrijk een bestseller werd en Candy, dat ook in het Nederlands te lezen valt.
Ik liet Su Tong en Mian Mian het recentste nummer van Armada zien, het tijdschrijft voor wereldliteratuur, nr 63/64, een dubbelnummer van de 17e jaargang. Er ontspon zich een druk gesprek, de tolk mengde zich in de discussie, er werd gelachen, het duurde een tijdje. ,,Wat is er aan de hand?", vroeg ik. De Chinese vertaling van de naam Armada bleek nogal bijzonder dan wel dubbelzinnig te zijn: 'armada' had in het Chinees de betekenis van 'flottielje zonder vijanden', een soort  contradictio in terminis, een vijandloze vloot, een formatie van kleine oorlogsschepen die niet op oorlog uit zijn, maar varen, kijken, observeren - een dus nogal nutteloze vloot eigenlijk.
Ik bladerde eens door de Chinese armada: een vloot aan essays, schrijversportretten, proza en poëzie van Chinese en van Nederlandse bodem. Een aantal stukken waarin Chinese critici hun mening geven over Nederlandse romans.
Ik stuitte op het begin van het essay van Quian Zhongshu, getiteld 'Over schrijvers', vertaald door Mark Leenhouts: 'De schrijver is te prijzen om zijn bescheidenheid. Hij streeft niet naar status, maar naar het hogere; elke zelfgenoegzaamheid is hem vreemd. Ik meen het, een schrijver veracht zichzelf soms nog erger dan anderen al doen. (..) Wie zijn leven aan de letteren wijdt, is gedoemd tot onbeduidendheid. Vandaar dat natuur- en maatschappijwetenschappers, die niet de 'lege letteren' maar het 'ware weten' dienen, zich ondanks de lijvige artikelen die zij schrijven geen moment als nutteloze mannen van de letteren beschouwen  - al zullen zij zich in nuttigheid dan nooit kunnen meten met de mannen van de wapenen. (..) Als je het hebt over nuttigheid, zie ik ruwweg twee soorten. Ten eerste het hergebruik van afval, zoals koeienuitwerpselen die kunnen dienen als brandstof, of denk aan de zuinige Tao Kan die nog geen houtsnipper, geen bamboestompje kon weggooien. Ten tweede de onontkoombaarheid van dagelijkse gebruiksvoorwerpen als een tandenborstel of het toilet. (..) Terwijl alles op aarde dus een veelheid aan nuttige toepassingen en uiteenlopende vormen van bruikbaarheid kent, lijkt alleen de schrijver getooid met de kroon der nutteloosheid. Is het niet droevig dat hij zich minderwaardig moet voelen ten opzichte van een houtsnipper, een bamboestompje, een tandenborstel of een toilet? ' Aldus Quian Zhongshu. 
Zou de Nederlandse delegatie schrijvers in Peking zich daarvan bewust zijn? Dat zij als schrijvers het onderspit delven tegenover een houtsnipper, een bamboestompje of een tandenborstel? Dat zij nutteloos zijn? Kozen er daarom voor zich op die boekenbeurs zo rustig, redelijk en bescheiden op te stellen? Spelden zij daarom geen Amnesty-speldje op, willen zij daarom alleen 'ruiken, voelen en indrukken opdoen', een houding die velen bekritiseren en die hun in Nederland gebleven collega Möring onlangs kwalificeerde als 'labbekakkerig cynisme'?
Maar wat vonden Su Tong en Mian Mian nu eigenlijk van alle ophef over de boekenbeurs in Peking? Moeten de Nederlandse auteurs die daar zijn nu wel of niet luid en duidelijk protesteren tegen de schending van de mensenrechten en het gebrek aan vrijheid van meningsuiting? De twee Chinese auteurs waren het volledig met elkaar eens: het is heel verstandig dat ze niet meteen felle uitspraken doen over een land waar ze net zijn aangekomen, waar ze niets van weten.
Ze staken zo een hart onder de riem van de Nederlandse schrijvers in Peking, dwars tegen alle kritiek van slappe knieën en labbekakkerigheid in. Het belangrijkste is dat hun boeken worden gelezen. Liever weloverwogen een venster op de wereld openen, liever subtiel en hoffelijk te werk gaan, liever nutteloos dan ruw, gewelddadig en respectloos - als een flottielje zonder vijanden, als een Chinese armada.

zaterdag 3 september 2011

Wat vinden de Chinese schrijvers zelf eigenlijk?

Wat vinden de twee Chinese schrijvers die in het kader van de culturele uitwisseling in Amsterdam zijn, nu eigenlijk van alle ophef over de boekenbeurs in Peking? Moeten de Nederlandse auteurs die daar zijn nu wel of niet luid en duidelijk protesteren tegen de schending van de mensenrechten en het gebrek aan vrijheid van meningsuiting? Wel of niet dat speldje van Amnesty dragen?



De bekende Chinese auteur Su Tong (1963) en zijn collega Mian Mian (1970) zijn het eens: het is heel verstandig dat ze zich niet meteen felle uitspraken doen over een land waarin ze net zijn aangekomen, waar ze niets van weten. ,,Het wordt wel heel politiek allemaal", verzucht Mian Mian. Su Tong wordt er moe van dat hij, zodra hij in het buitenland is, steeds die politieke vragen krijgt, in principe wil hij er op een podium niet over spreken, ,,je weet nooit wie er in de zaal zit".
En wat vinden ze ervan dat hun collega's, die in gesprek wilden gaan met de Nederlandse schrijvers, huisarrest hebben gekregen? Ze weten er niets van. Veelal kennen ze de auteurs ook niet die dit overkomt. Pas in het buitenland horen ze van hun bestaan, van hun huisarrest. Ze reageren niet overdreven verontwaardigd op dit nieuws, het verbaast hen duidelijk niet.
Veel liever spreken ze over hun werk, over de Chinese literatuur, over hun leven als schrijver. Van Su Tong verschenen  in het Nederlands De rode lantaarn, Mijn leven als keizer, Rijst (De Geus) en Binu en de Chinese muur  (De Bezige Bij), heel verschillende romans. Mian Mian schreef Panda sex, dat met name in Frankrijk een bestseller werd en Candy, dat ook in het Nederlands verscheen (Arena). ,,In China weet niemand hoe ik eruit zie", zegt Mian Mian, ,,ik treed nooit ergens op. Mijn werk is 10 jaar lang verboden geweest. Iedereen denkt dat ik in Parijs woon". In het China-nummer van tijdschrift Armada, samengesteld door Chinakenner Mark Leenhouts, is meer informatie over de schrijvers te vinden.
Weet je, zegt Su Tong, de situatie in de Chinese literatuur van nu is heel ingewikkeld. In de jaren 80 is de basis gelegd voor de huidige literatuur, daarvoor, tijdens de Culturele Revolutie, was er niets. In de jaren 80 is er absurd veel geschreven. Er zijn toen enorm veel literaire tijdschriften opgericht, veel daarvan zijn er nog. Je moet het niet onderschatten: de schaal waarop er in China wordt geschreven is enorm.
Veel van de grote schrijvers die in de jaren 80 begonnen, zijn nu met schrijven gestopt, vertelt Su Tong, ze doen nu wetenschappelijk onderzoek, publiceren artikelen in kranten of tijdschriften of ze schrijven scenario's voor televisieseries. Daarmee kun je je brood verdienen. Je kunt er zelfs miljonair mee worden. De kwaliteit van onze tvseries is dan ook hoog: ze worden allemaal geschreven door professionele auteurs.

Sinds haar werd verboden werd, publiceert Mian Mian haar werk niet meer bij een uitgeverij, maar op het internet. Waarom het werd verboden? ,,Veel te veel details over homoseksualiteit, over een decadente levensstijl", lacht ze, ,,maar nu doe ik dat allemaal niet meer, hoor".
Via haar blog communiceert ze met haar lezers. 28.000 volgers heeft ze, relatief gezien niet zoveel, zegt ze. Er is bijvoorbeeld een populaire actrice wier blog 5 miljoen volgers heeft. ,,Maar populair is per definitie boring", zegt ze. Zelf schrijft ze voor haar eigen lezers, jonge mensen die in de grote stad wonen, kunstenaars, mensen op kantoor, lezers van American psycho.
,,Het enige interessante dat er in China gebeurt is weibo", zegt Mian Mian, "dat is de Chinese variant van twitter, letterlijk mini-blog. Er zijn in China maar liefst 200 miljoen weibo-gebruikers. Kun je nagaan wat een probleem dat is voor de censuur, lacht ze, 's nachts moeten er honderden censors aan het werk zijn, soms zie je een berichtje voor je ogen verdwijnen. Gecensureerd."

donderdag 25 augustus 2011

Gil Courtemanche overleden


Afgelopen vrijdag stierf, naar nu bekend is geworden, de Franstalige Canadese journalist en schrijver Gil Courtemanche, op 68-jarige leeftijd. Hij leed al jaren aan keelkanker en kon de laatste tijd niet meer spreken – terwijl er weinig was dat hij liever deed dan dat. Een gesprek met hem was overdonderend: altijd was hij boos of verontwaardigd over wat er aan onrecht in de wereld gebeurde. Bitter en scherp veroordeelde hij, met zijn raspende rokersstem en grijpend naar zijn altijd volle glas, de moordenaars van Rwanda, een corrupt Afrikaans regime of de foute beslissing van een rechtbank.
Vanaf zijn twintigste werkte Courtemanche als journalist, de laatste vijf jaar vooral in Montreal, voor dagblad Le Devoir. Hij schreef in eerste instantie essays en columns, gebundeld onder de titel Douces colères (Zachte woede), gevolgd door Nouvelles douces colères (Nieuwe zachte woede); en boeken over (inter-)nationale politiek, Québec en de democratie. Al jong kreeg hij de reputatie van linkse, militante vrijdenker, die nooit een blad voor de mond nam en in wiens woordenboek het woord nuance niet voorkwam. Als voormalig marxist beoefende hij ‘le journalisme utile’, nuttige, geëngageerde journalistiek, zei hij in een interview met deze krant. Hij was journalist geworden omdat hij ‘de wereld wilde veranderen’. Hij geloofde dat ‘het informeren van mensen’ zou leiden tot ‘verandering, tot vooruitgang. Als journalist moet je in eerste instantie burger zijn. Je bent de ogen en oren van het volk en dus ben je per definitie politiek geëngageerd, progressief, tegen onvrijheid, tegen onrechtvaardigheid.'' Québec herdenkt hem dan ook als een groot schrijver en een voorbeeld voor jonge journalisten: zijn werk was ‘een aanklacht’ en droeg ‘het stempel van menselijkheid’.
Voor de Quebecse radio en televisie ging hij in de jaren zestig naar de VS, daarna naar Vietnam, Noord-Ierland en Libanon. In 1984 bezocht hij voor het eerst Afrika en deed hij verslag van de hongersnood in Ethiopië. Later maakte hij, in opdracht van niet-gouvernementele hulporganisaties in Kenia, Ivoorkust, Oeganda en Rwanda een documentaire over aids. Na de genocide in Rwanda ging Courtemanche terug en interviewde honderden overlevenden.
Hun verhalen vormen de basis van zijn eerste roman, Een zondag aan het zwembad in Kigali (2000), die in twintig talen werd vertaald. Het boek werd in 2006 door Robert Favreau verfilmd, net als zijn tweede roman Une belle mort (2005). Bovendien trok het Internationaal Strafhof in Den Haag hem aan als adviseur. Sporen van zijn verblijf in Den Haag zijn terug te vinden in zijn roman De wereld, de hagedis en ik (2009). Zijn laatste boek, een roman over zijn ziekte en de gelijktijdige scheiding van zijn vrouw, draagt de bittere titel Je ne veux pas mourir seul (Ik wil niet alleen sterven).



    

zondag 21 augustus 2011

Tristane Banon - fictie of werkelijkheid


'Hij spreekt met haar af in de rue Mayet, in het 6e arrondissement. Het is een leeg appartement, met houten balken, een koffiezetapparaat in de keuken en een deur die leidt naar een kamer met een twee-persoonsbed. (..) DSK doet de deur op slot. Ze zet haar tas op de tafel en pakt haar dictafoon. Nauwelijks heeft ze de eerste vraag gesteld of hij vraagt of hij haar hand mag vasthouden. (..) Hij begint haar naar zich toe te trekken. (..) Hij pakt haar vast, ze wil zich losrukken, ze vallen op de grond. Hij maakt haar bh los, grijpt haar borsten, laat zijn hand in haar slipje glijden. (..) Ze zegt dat hij in een vreemde droomtoestand leek te verkeren, haar protesten niet hoorde. Ze vlucht, gaat in haar auto zitten, belt haar moeder. Ze krijgt een sms: 'nou, maak ik u bang?'
Een fragment uit een slechte roman? Nee, dit komt uit een artikel in dagblad Le monde, van woensdag 20 juli j.l. Het stuk gaat over Tristane Banon, de 32-jarige journaliste en schrijfster die Dominique Straus-Kahn heeft aangeklaagd voor poging tot verkrachting in 2003, en vermeldt wat Banon zojuist aan de onderzoekscommissie heeft verteld. Dat jaar maakte ze een serie interviews met machtige mannen over fouten die ze in hun carrière begingen, Erreurs avouées (au masculin) (te vertalen als Toegegeven fouten, van het mannelijk geslacht). In dat kader ontmoette ze DSK. Waarom heeft ze niet eerder aangifte gedaan?, wordt haar gevraagd. 'Angst voor wat anderen zouden denken, angst niet geloofd te worden. De Sofitelzaak zou haar hebben geholpen toch de stap te zetten'.
Helemaal gezwegen heeft Banon toch niet. In haar roman Trapéziste, uit 2006, beschrijft ze in vier pagina's de ontmoeting met een 'politiek leider van de grote partij van morgen', in bewoordingen die heel dichtbij de hierboven verwoorde scene staan. Hetzelfde appartement, dezelfde leegte, hetzelfde koffiezetapparaat.  En ook de man die zich opdringt, het interview wegwuift, omdat 'ze wel wat beters te doen hebben', die haar kleren van haar lijf rukt, die haar weerstand wel amusant vindt: 'ze is spitsvondig, dat kleintje!'  'Hij kijkt me aan met de ogen van een neuroticus', schrijft Banon, 'van een verslaafde die zijn injectie niet krijgt. Hij is zichzelf niet meer. Hij is ziek, hij moet zijn spul hebben.' Ze vlucht in haar auto, denkt erover aangifte te doen, stelt zich voor wat er over haar, 'freelancer op zwart zaad', gezegd zal worden: 'Het kleintje heeft zich goedkoop van wat publiciteit willen verzekeren'. 'Weet u nog, dat is Flore, dat meisje dat verwikkeld was in die smerige geschiedenis met die politicus'. Ze gaat naar huis, krijgt een smsje met dezelfde tekst. 
En dan is er nog het Parijse tv-programma van Thierry Ardisson, 93 Faubourg Saint-Honoré, uit 2007, waarin Banon tegen het décor van dînertafel, kroonluchters en schitterende spiegels, vertelt hoe DSK, wier naam toen door een discreet piepje werd vervangen, haar probeerde te verkrachten.
De onbetrouwbaarheid van het geheugen is notoir en feit en fictie staan op gespannen voet. Maar wie is ze eigenlijk, deze schrijfster van wie, voor de affaire DSK, eigenlijk nog niemand had gehoord? Wat voor boeken schrijft ze? En in welke kringen beweegt ze zich?
Haar website laat vooral een fotogalerij zien, met tientallen close-ups. De schrijfster houdt zich ook bezig met modellenwerk. Haar biografie vermeldt een kinderdroom schrijfster te worden, de Ecole supérieur du journalisme,  freelancewerk voor Paris Match en de Figaro en een baan als presentatrice van een programma over communicatie.  Onder het kopje 'revue de presse' zijn alle snippertjes op te vragen die er, vooral in regionale media, over haar zijn verschenen, van L'Echo de la Hautte-Vienne tot Télémoustique. Geen schrijfster dus die vanwege haar literaire werk een wezenlijke plaats heeft verworven in het 'serieuze' Franse literaire landschap.
Drie romans schreef ze: J'ai oublié de la tuer (2004), Trapéziste (2006) en Daddy frénésie (2008), dat vorig jaar ook in een Nederlandse vertaling verscheen onder de titel Als de vleugelslag van een vlinder. Op haar website vertelt Banon dat ze in psychoanalyse is gegaan en daarna 'autofictie' is gaan schrijven. Bij autofictie, een term die door Serge Doubrovsky werd geïntroduceerd en tegenwoordig vooral wordt geassocieerd met de Franse auteur Christine Angot, valt de auteur samen met de hoofdpersoon en/of de verteller, maar in het verhaal, in de narratieve vorm kan de auteur iets verkennen dat niet puur autobiografisch is. De gebeurtenissen in het leven van de auteur worden verteld op een manier die bij de roman hoort. Er kan bijvoorbeeld een verteller zijn in de derde persoon, namen, plaatsen kunnen worden veranderd, omdat de auteur een speciale ervaring nader wil onderzoeken.  'Rien n'est inventé, mais tout est faux', luidt een zinnetje voorin Banons tweede roman, 'Niets is verzonnen, maar alles is onwaar'. En dat geldt weer voor iedere roman.
De vertelster van Banons eerste roman is een meisje dat we volgen van haar achtste tot haar veertiende. Haar vader heeft haar verlaten op de dag van haar geboorte, haar moeder heeft sinds de bevalling nooit meer enige aandacht aan haar besteed. Het meisje, Flore, groeit in welvaart op, met een babysitter, Amira, een lompe, zware vrouw van Marokkaanse afkomst, die aan de drank is en haar handen niet thuis houdt. Flore belt haar moeder, die niet gelooft dat de babysitter haar slaat. 'Je moet naar Amira luisteren, netjes je bed leren opmaken. Laat mama nu werken. Ik ben er volgende woensdag weer'. 'Ja, maar het is pas donderdag!' 'Zie je, je hoeft niet eens een hele week te wachten'. 'Ik ontdek de haat. Ik ben 10 jaar en krijg zin om iemand te doden. Ik ga haar vermoorden, maar ik weet nog niet hoe'. Drama, kortom, pathetiek en doffe ellende. Een verschrikkelijke jeugd waarin Flore zich manhaftig overeind houdt, net niet uit het raam springt en zich afvraagt wat het doel is van het leven. Het is het relaas van haar jeugd, zegt Banon over dit boek, 'alles is waar'. Maar is het ook literatuur? Nee. Vlot geschreven tranentrekkend meisjesproza.
Wat voor een twintiger zo'n meisje wordt, lezen we in Banons tweede roman, Trapéziste, opgedragen aan Frankrijks topjournalist Patrick Poivre d'Arvor. De titel verwijst naar de trapeze-acts die ze in het dagelijks leven moet uithalen, 'tussen heel hoog en en heel laag'.  Ze ziet er leuk blond en frivool uit, 'echt een meisje dat een leuk licht liefdesleven leidt'. Zo'n meisje van wie andere, jaloerse vrouwen die uiterlijk minder zijn bedeeld, denken dat ze alleen goed zijn om 'mannen van drie keer hun leeftijd af te zuigen in de televisiestudio's. En soms hebben ze geen ongelijk'.  Maar van binnen, op die hoge hakken, is ze bang en gaat ze regelmatig op haar bek in het wereldje van bekende mensen, schrijvers en kunstenaars. Ze noemen haar 'liefje' of 'schatje', 'maar dat doen ze alleen maar omdat ze mijn voornaam zijn vergeten'. De ik-persoon heet Flore, schrijft Banon in nogal krom Frans: een 'romanpersonage dat wil aantonen dat de jeugd consequenties heeft op de hersenen en de sociale toekomst die je niet verwacht'.   
De twintiger Flore is een freelance journaliste die nauwelijks genoeg verdient om te kunnen eten, die zich door topjournalisten op hun bureau laat pakken, zich door beroemdheden laat meevoeren naar bedden in vijfsterrenhotels, zich vollaadt met champagne en zich van het ene naar het andere feestje sleept. Een jonge vrouw zonder zelfrespect en zonder kompas. Waren schrijvers als Frédéric Beigbeder en Lolita Pille in staat die wereld van 'people'  en 'showbizz' met satirische afstand en vlijmscherpe pen te caricaturiseren, Banon/Flore gaat er, als personage én als schrijfster,  in onder. Het van Bridget Jones afgekeken begin van ieder hoofdstuk (zoveel euro schuld, zoveel uren tranen, zoveel verloren illusies) vermag daaraan niets te veranderen. Drama, pathetiek en doffe ellende.
Na afrekening met de moeder in haar eerste boek, komt, onverbiddelijk, ook de afrekening met de vader. Nooit heeft ze enige aandrang gevoeld hem te leren kennen maar in Als de vleugelslag van een vlinder, gaat ze 'als een ijverige entomoloog' haar 'vadervlinder' observeren, 'die als een insect zijn broedsel heeft verlaten'. Denkt ze hem eenmaal gevonden te hebben, dan stelt ze alles in het werk om zijn leven en dat van zijn kinderen - degenen voor wie hij wél een vader is geweest -, te verzieken. Maar die koud opgediende wraak belandt op het verkeerde bord. Weer een mislukking, weer een misser, wat zielig, wat triste-anne.
Vergelijk het eens met de meest recente roman van Virginie Despentes, Apocalyps baby, die de noodklok luidt over precies het soort jongeren als Flore. Onder verwaarloosde jeugd verstaat Despentes niet de kinderen die opgroeien in achterstandsgezinnen, maar tieners uit welvarende gezinnen, met teveel geld en te weinig aandacht. Kinderen met dure kleren, altijd het nieuwste mobieltje, maar zonder ouder die grenzen trekt. In duidelijke taal laat Despentes, wier jeugd niet veel gelukkiger was dan die van Banon, zien tot wat voor wanhoopsdaden zo'n meisje, rijk maar doodeenzaam en emotioneel verwaarloosd, in staat is. In eerdere boeken vochten Despentes' gewelddadige vrouwelijke personages met opdringerige kerels en legden zij kalashnikovs aan op potentiële verkrachters. Despentes lapt de wereld aan haar laars, ze laat je literair én niet-literair alle hoeken van de kamer zien.
Banon is in zo'n spel geen partij. Voor haar ga je een doos papieren zakdoekjes halen.


Tristane Banon: J'ai oublié de la tuer. Anne Carrière. 131 blz. Prijs € 15
Trapéziste. Anne Carrière, 215 blz. Prijs € 17
Als de vleugelslag van een vlinder. Vertaald door Nini Wielink, Sirene, 190 blz. Prijs €  16,95
Virginie Despentes, Apocalyps Baby, verschijnt binnenkort bij De Geus.

woensdag 10 augustus 2011

On-Frans geestig?



'On-Frans geestig', kopt het persbericht van de Arbeiderspers als aanbeveling van de uit het Frans vertaalde roman van Tanguy Viel. 'Geestig' en 'Frans' sluiten elkaar uit, althans voor deze persberichtenmaker. Literatuur uit Frankrijk is, zo wil het cliché, filosofisch, saai en wollig, Franse personages hebben een alpinopet op en een stokbrood onder de arm, terwijl ze denken aan seks en o la la. Toch jammer dat de persberichtenmaker nooit heeft geglimlacht bij het lezen van een burleske scène van Jean-Philippe Toussaint, niet heeft geschaterd bij de slapstickstijl van Jean Echenoz of het absurdisme van Didier van Cauwelaert. Ook de zwarte humor van Michel Houellebecq is aan deze persoon verspild evenals de hilarische situaties in het werk van Fouad Laroui. Niet kunnen lachen om de grimmige grappen van Dany Laferrière, Nicolas Dickner met een strak gezicht lezen, in de plooi blijven bij de toneelteksten van Yasmina Reza - je moet het maar kunnen.
Maar nu is er dan Paris-Brest, de eerste roman van Tanguy Viel die in het Nederlands verschijnt, 'on-frans geestig'.  Het is de vijfde roman van Viel, die eerder boeken publiceerde met titels als Cinéma, L'absolue perfection du crime en Insoupçonnable. Net als Echenoz en Toussaint, die iets ouder zijn, heeft hij een passie voor film, vooral voor de film noir, de polar. In dat soort films ballen zich de passies samen in een enkel moment dat de rest van een mensenleven bepaalt. Er wordt met koffers met dubieuze inhoud gesjouwd, veel geschiedt in het donker en naar beweegredenen wordt vaak achteraf gegisd.
Precies deze thema's vind je ook in Paris-Brest, waarin een jongeman, opgegroeid in Brest,vanuit zijn woonplaats Parijs voor een paar dagen naar zijn familie terugkeert. Zijn familiegeschiedenis wordt bepaald door twee fortuinen: het een is verduisterd en de oorzaak van het tijdelijke ballingschap van zijn ouders. Het andere is uit de lucht komen vallen en in de schoot van zijn grootmoeder beland. In de koffer van de verteller zit, figuurlijk gesproken, een explosief: het manuscript van zijn familieroman.
Net als zijn collega Echenoz, gebruikt Viel de technieken van de thriller, de cinema en de slapstick. Hij bouwt spanning op, introduceert elementen waarvan je als lezer begrijpt dat ze mis zullen gaan (een dubieuze jeugdvriend, fraude bij de bouw van een stadion, een diefstal) en geeft zijn verteller voldoende trekken van naïeve loser mee om de lezer stof tot nadenken en meeleven te bieden. Bovendien reflecteert hij, net als zijn collega Laurent Binet onlangs succesvol deed, op de tot standkoming van de roman die we aan het lezen zijn. 'En er zijn inderdaad bepaalde dingen waarover ik het wel zal moeten hebben, omdat ze belangrijk zijn voor het verdere verloop van dit verhaal, dingen die mijn moeder er eigenlijk altijd buiten heeft willen houden en er in zekere zin ook altijd buiten hééft gehouden, als in een gekuiste versie van de geschiedenis, maar zelf ben ik wel verplicht ze op te halen, zelf ben ik verplicht om Kermeur junior als het ware weer centraal op het schaakbord te plaatsen'.
Viels verteller zoekt naar woorden, naar een uitgangspunt, naar de waarheid en die zoektocht bepaalt ook zijn stijl, hernemend, aarzelend, meanderend. Waarin Viel vooral excelleert is - en in dit opzicht is hij verwant aan die andere grote verteller van familiegeschiedenissen, Jean Rouaud - in het oproepen van een sfeer: een woning aan zee, een rusthuis voor oud-mariniers, wind, eenzaamheid, dorpsroddel en broedervriendschap.
Ook de broer van de verteller is beducht voor de roman in de koffer. 'Heb je 'm nu af, je roman? (..) Maar...hervatte hij en hij aarzelde en ik glimlachte omdat ik zijn aarzeling voelde, heb je het dan ..over mij? (..) Ik kreeg het warm aan mijn hoofd, door zo te spelen met vuur, door zo te aarzelen met mijn antwoord terwijl ik er tegelijk om moest lachen dat ik niet te snel wilden antwoorden (...) .Toen zweeg hij verschillende sigaretten lang, en voegde toe: ik popel in elk geval om het te lezen. Ik zal er vast om moeten lachen'.
Niet ongeestig, inderdaad.

Tanguy Viel: Paris-Brest. Vertaald door Katrien Vandenberghe. Arbeiderspers. 144 blz. Prijs € 17,50


woensdag 15 juni 2011

Eerste Europese literatuurprijs naar Marie NDiaye voor Drie sterke vrouwen

,,Overal in Europa eet je dezelfde pizza's. Overal in Europa zien de meisjes er hetzelfde uit. Overal dragen ze dezelfde rokjes, dezelfde t-shirts. Ongelofelijk saai. Straks lezen we allemaal overal dezelfde literatuur. Maar aan de andere kant ben ik daar natuurlijk blij om. We gaan weg van de massagraven".

Dat zei Jáchym Topol, een van de genomineerden voor de Europese Literatuurprijs, toen ik hem een paar jaar geleden interviewde. Het einde van de ideologiën, de val van de muur, het wegvallen van de oude grenzen, de globalisering  - het leidt tot eenheidsworst, of je het nu hebt over eten, kleren, films of boeken. Op het laatst lijkt alles op elkaar.

Het is een mening die je in onze tijd van globalisering wel vaker hoort. Tim Parks betoogde onlangs dat romanciers steeds meer in hetzelfde Amerikaans schrijven en een karikaturaal beeld van hun eigen land schetsen om maar vooral door te dringen tot internationale roem. Deze internationalisering van literatuur leidt dan vanzelf tot een literatuur die steeds meer op elkaar lijkt.

Zouden schrijvers uit het oude Europa hun huid nu echt op die manier willen verkopen? Gaan ze bewust zo ver in hun kniebuiging voor de commercie en voor internationale bekendheid? Ik vraag het me af.

Ook wie veel op andere continenten verkeert, beziet Europa als een eenvormig werelddeel waarin weinig beweging zit. Vorige week sprak ik met twee reisschrijvers, die beiden veel over de wereld reizen en zich net zo thuis voelen in Azië en Afrika als in hun geboorteland, België respectievelijk Frankrijk. Komen zij van hun reizen terug dan hebben zij de indruk, vertelden ze mij, dat zij een museum binnenstappen, een stoffige maatschappij waar alles af is, waar het alleen nog een kwestie is van openingsuren, vegen en dweilen en af en toe de stofdoek erover heen halen. Een verkalkt continent, een werelddeel zonder beweging, zonder de energie, de ambitie en de optimistische gedrevenheid van consumenten in de dop in Azië, India, China of in de Arabische wereld.

Zou het echt?

Ik legde hun statement een paar dagen geleden voor aan twee Europareizigers. De een is literair spoorzoeker, auteur van een boek over de wereldliteratuur en een verhandeling over literair-historische figuren in Europa. De ander is hoogleraar Europese studies en imagoloog, die zich jaren verdiept heeft in stereotiepen en vooronderstellingen als het over andere landen en culturen gaat. Blasé, zei de een.  Kennen ze het Europese continent wel, hebben ze zich wel werkelijk in de Europese cultuurgeschiedenis verdiept? reageerde de ander, en beseffen ze wel met welk een Europese, door hun tijd en klasse bepaalde vooroordelen en vooronderstellingen ze naar die andere continenten kijken?

En hoe staat het eigenlijk met de literatuur uit die werelddelen, zou ik daaraan willen toevoegen. Is die even dynamisch? Geeft die een mooi beeld van de energie en de ambitie die de de schrijfsters signaleerden?

Neem de romans van de Indonesische schrijfster Ayu Utami en je belandt in de armoede en de corruptie van het platteland. Lees de romans en de essays van de Egyptische schrijver-tandarts Alaa el Aswany en je komt terecht in de stedelijke wereld van de gewone man die maar net zijn hoofd boven water kan houden met zijn handeltjes. Lees de Jemenitische verhalenschrijver Ali Al-Muqri en het gaat over onderdrukking en armoede. Lees de Libische schrijfster Wafa Al-Bueissa en het thema is hoe te ontsnappen aan een verstikkende dictatuur, een repressieve cultuur. Lees de net bekroonde Algerijnse auteur Boualem Sansal en het gaat over onderdrukking en corruptie.

Wie de afgelopen jaren tientallen romans uit alle uithoeken van Europa heeft gelezen, ziet niets van de zogenaamde eenvormigheid van de Europese literatuur en met die verkalking valt het ook reuze mee.
Wat je wel ziet zijn individuele werelden die gekleurd zijn enerzijds door de persoonlijke situatie van de schrijver en anderzijds door de literaire en culturele traditie en de tijd, waarin hij of zij is opgegroeid. En met een beetje goede wil zie je wat trends: oorlogsliteratuur, biografieen en autobiografieën. Hedendaags minimalisme. Literatuur over bootvluchtelingen, over immigranten die Europa zien als het paradijs,  die fort Europa bestormen. Komedies. Monologues intérieurs. Absurdisme.

Europa is een spiegelpaleis, zoals Joep Leerssen het noemde. Een caisse de resonance zou je kunnen zeggen. Al die stemmen die daarin heen en weer echoën vinden ergens een weerklank. Of zoals de Spaanse in Marrakech wonende schrijver Juan Goytisolo jaren geleden zei: de Europese literatuur is als een pollinisatie, een kruisbestuiving, de pollen waaien met de winden mee, sommigen blijven rondvliegen, anderen wortelen op een gegeven moment ergens in het werk van een andere, jonge auteur en daar komt dat zaadje weer tot ontkieming.

De nieuwe Europese literatuur? Die verbeeldt op een magistrale manier de nieuwe Europese infrastructuur, zei de Duitse historicus Karl Schlögel hier vorige week op dit podium. De nieuwe Europaliteratuur, die ijverig wordt gekocht en gelezen maar niet gerecenseerd bestaat uit reisgidsen, landkaarten, autoatlassen, spoorboekjes en vluchtschema's. Die publicaties geven het heden richting, het zijn indicatoren voor de voortgang en het tempo van de ontwikkeling en het tot wasdom komen van de grote steden in Europa.

De nieuwe Europese literatuur? zei Nelleke Noordervliet onlangs, die wordt geschreven door de nieuwe Europeanen, de mensen van elders die zich ergens in Europa een nieuwe cultuur en een nieuwe taal eigen maken. De nieuwe Europese literatuur? zei Adam Thirlwell hier onlangs, die kan alleen tot standkomen door middel van een nieuwe, originele vorm van vertaling. 

En wat zei de jonge Hongaarse schrijver Gyorgi Dragoman hier een paar dagen geleden? Hij kan nog steeds maar moeilijk geloven dat er een einde is gekomen aan het communistische tijdperk. Nog iedere dag beleeft hij opnieuw de doodsangst die hij als jongen kende. Vanaf zijn 10e jaar bereidde zijn vader hem erop voor dat hij op ieder willekeurig moment door de geheime dienst van zijn bed gelicht kon worden, meegenomen voor verhoor. De lucht was niet blauw, leerde zijn vader hem zeggen, het gras is niet groen. Doodsangst ondermijnt de werkelijkheid, realiteit wordt surrealisme. Voor Dragoman zal het toekomstige verhaal van Europa altijd dit verhaal zijn, die herinnering aan de doodsangst.

Dus hoezo uniformiteit van de Europese literatuur?

Als er een ding is dat de longlist en de shortlist van de Europese literatuurprijs duidelijk maakt is het dat wel.

De shortlist van de Europese literatuurlijst bestond uit

HHhH van Laurent Binet, vertaald uit het Frans door Liesbeth van Nes (Meulenhoff

Dat weet je niet van Jens Christian Grøndahl, vertaald uit het Deens door Annelies van Hees (Meulenhoff)

De niet verhoorde gebeden van Jacob de Zoet van David Mitchell, vertaald uit het Engels door Harm Damsma en Niek Miedema (Ailantus) 
Drie sterke vrouwen van Marie Ndiaye, vertaald uit het Frans door Jeanne Holierhoek (De Geus)

De werkplaats van de duivel van Jáchym Topol, vertaald uit het Tsjechisch door Edgar de Bruin (Anthos)

De jury besloot de eerste Europese literatuurprijs toe te kennen aan:

Drie sterke vrouwen van Marie NDiaye, vertaald uit het Frans door Jeanne Holierhoek

Uit het juryrapport:

'Een bedrieglijk simpele titel voor een roman die even complex als subtiel drie geschiedenissen met elkaar verbindt. De aloude thema’s van onderdrukking en uitbuiting krijgen bij NDiaye een menselijk gezicht, een intense verdieping en een wrange schoonheid.'    

'Een roman die op ieder jurylid een onvergetelijke indruk maakte. Die beelden en scènes bevat die zich niet zomaar meer uit het geheugen laten verwijderen. Die even actueel als tijdloos is, en vanuit indrukwekkend veel perspectieven de nachtzijde laat zien van het weldoorvoede, rijke Europa. Die een volstrekt literaire vorm vindt om het klassieke duo macht & uitbuiting hun verwoestende werk te laten doen. Die aan het janken maakt zonder zelf jankerig te zijn.

De allereerste Europese Literatuurprijs gaat naar Marie NDiaye, voor haar roman Drie sterke vrouwen, of zoals die oorspronkelijk heet: Trois femmes puissantes. Waarmee de jury onmiddellijk een diepe buiging maakt voor de vertaalster van deze roman.
Jeanne Holierhoek levert met haar vertaling een bewonderenswaardige demonstratie van vertaalkunnen. Holierhoek is een ervaren vertaalster met een grote kennis van het werk van Marie NDiaye, dit is de vierde roman van haar die ze heeft vertaald. Haar kennis van het Frans is uitmuntend, haar beheersing van het Nederlands is indrukwekkend; ze heeft een groot taalgevoel en weet met veel stilistische variatie en een rijke woordenschat een meeslepend verhaal neer te zetten. Te prijzen valt vooral dat ze zich op geen enkel ogenblik achter het origineel verschuilt, maar de volle verantwoordelijkheid voor de vertaling op zich neemt en een volwaardige, autonome tekst afscheidt. Al met al is er in Holierhoeks NDiaye-vertaling sprake van een gerijpt, zelfbewust vertalerschap, van bovengemiddelde inzet en van een geslaagd huwelijk tussen vertaler en auteur.