maandag 25 maart 2013

Roberto Calasso over De droom van Baudelaire


,,Mijn werk behoort tot geen enkel literaire genre, het is ondefinieerbaar. Soms is het roman, soms essay, soms zitten er toneeldialogen in, aforismen en analyses. Wat mijn zeven boeken gemeen hebben is een verhalend karakter. Fysiologisch gezien is dat de manier waarop ik werk, nu al zo'n dertig jaar. Nu ben ik bezig aan het achtste deel van mijn werk in uitvoering, geen idee waar ik uitkom. Ik ben er maar mee opgehouden vooruit te kijken."



Roberto Calasso (Florence, 1941), de legendarische Italiaanse uitgever  en schrijver van bijvoorbeeld De bruiloft van Cadmus en Harmonia (1988), Ka (1996) en K. (2002), is nog steeds iedere middag te vinden in zijn kamer van de uitgeverij die hij beroemd maakte, Adelphi. Ordelijke stapels boeken, op de grond, op stoelen rond zijn bureau, doorzichtig gekafte eerste drukken in een hele muur beslaande kast. Om hem heen de kantoren van zijn medewerkers. Iedere vijf minuten belt hij een van hen: hij wil me die speciale uitgave laten zien, dat boek schenken, die tekst meegeven, die illustratie tonen. Binnen een minuut wordt zonder zuchten aan zijn wensen voldaan - de wil van een legende is wet.
Binnenkort verschijnt in Nederland Els van der Pluijms schitterende  vertaling van La Folie Baudelaire, bij uitgeverij Wereldbibliotheek De droom van Baudelaire geheten. Verwacht geen biografie van de negentiende-eeuwse Franse dichter, geen nieuwe interpretatie van zijn werk, maar een verrukkelijke, associatieve wandeling door de intellectuele botanische Baudelaire-tuin van gids Calasso.
Fysiologisch - die op het oog vreemde term komt vaker terug in zijn boek. 'De hele geschiedenis van de literatuur', schrijft Calasso bijvoorbeeld, 'kan worden gezien als een sierlijke guirlande van plagiaat', waarmee hij doelt op 'bewondering en een fysiologisch assimilatieproces dat een van de best bewaarde mysteries van de literatuur is'. Calasso: ,,Dat is voor mij een cruciaal woord. Het gaat terug op Sainte-Beuve, de in zijn tijd beroemde en beruchte Franse schrijver en criticus die er een groot belang aan hechtte in zijn artikelen een beeld te geven van zowel het leven als het werk van een auteur. Zoals u weet is hij daarom aangevallen door Proust (in Contre Sainte-Beuve - md). Proust wist natuurlijk best dat Sainte-Beuve geen ongelijk had, het ging erom te erkennen dat beide door elkaar heen lopen en niet los van elkaar kunnen worden gezien."
En dat plagiaat?
,,Dat is de zin zelf van de literatuur. Literatuur is een voortdurende stroom waarbij je van de ene naar de andere tekst gaat, de oude wordt geïncorporeerd in een nieuwe, het verleden in het heden".
Na uw laatste boek over een schrijver, K., over Kafka, koos u nu voor Baudelaire, waarom hij? U schrijft over een 'Baudelairegolf die alles doordrenkt', die zijn tijdgenoten overspoelde en kopje onder liet gaan.
Baudelaire is de eerste niet-Italiaanse dichter die ik las, ik was 12 en raakte door hem gefascineerd. Met hem heb ik altijd een intiemere relatie gehad dan met anderen. Gide zei het ook, Baudelaire fluistert iets in je oor. Met hem begint er een tijdperk met een andere sensibiliteit, een nieuwe richting, een nieuwe toon in de literatuur en de schilderkunst. Al vóór hem was die golf ingezet, maar hij is de spil, met hem kristalleert zich die tendens.
U laat de voor- en de achterkant van dat golvende weefsel zien, in wezen van de hele negentiende eeuw.
Zo'n nauw verband tussen literatuur en schilderkunst is heel zeldzaam. Degas, Manet, Mallarmé, Ingres, Delacroix - in hun werk resoneert die nieuwe sensibiliteit. De golf eindigt met Proust. Zijn essay over Baudelaire is een van de mooiste die er ooit geschreven zijn, het hoort tot zijn mémoires, zijn fysiologie.
'Het ware moderne, dat in Baudelaire vorm krijgt, is die jacht op beelden, aangevuurd door de 'demon van de analogie'', schrijft u.
Het is een sleutelzin. Analogie is voor mij, tegen de traditie in, een middel tot kennis. Sinds de Verlichting wordt analogie gezien als een vijandig begrip, het zou niet nauwkeurig en misleidend zijn, maar de oude Grieken zagen het al als een manier om kennis en wijsheid te verwerven. Baudelaire kun je niet begrijpen zonder zijn verhouding tot het beeld, beeld en woord zijn innig en ingewikkeld met elkaar verbonden.
De schilders Delacroix en Ingres geeft u een bijzondere plaats in de context van Baudelaire. Dankzij de eerste kon hij zijn 'metafysica van de kunst' formuleren, de tweede kritiseerde hij fel.
Baudelaire had iemand nodig die zijn hartstocht vertegenwoordigde. Delacroix kwam daar het dichtste bij, hij verpersoonlijkte een zaak waar Baudelaire voor stond. Het waren geen vrienden. Delacroix hield meer van mensen die hem gehoorzamer waren dan Baudelaire. Het werk van Ingres stond ver van Baudelaire af, maar paradoxaal genoeg is wat hij over hem schreef veel pertinenter dan wat hij over Delacroix noteerde. 
De titel La Folie Baudelaire is in het Duits en ook in het Nederlands vertaald als De droom van Baudelaire, een titel waarmee Calasso niet gelukkig is. Toch is die droom het hart van Calasso's boek. Toen Baudelaire op 13 maart 1856 wakker werd, schrijft hij, had hij een vreemde droom gehad, die hij meteen noteerde. Hij moet een bevriende bordeelhoudster een net verschenen boek van zijn hand aanbieden, merkt dat hij half ontkleed is, loopt door een soort geneeskundig museum met ingelijste  afbeeldingen van monsterlijke wezens en vindt uiteindelijk een monster op een piedestal, met een soort slang om zijn lichaam. De droom interpreteren is niet wat Calasso wil, 'dat zou een soort metafysische tactloosheid zijn'. Wat dan wel? Calasso: ,,In die droom zit alles, zijn hele oeuvre vloeit erin samen, als in een estuarium. Het erotische element, de haat voor de wereld om hem heen, de bêtise van zijn eeuw, de wetenschap, alles. Baudelaire komt op blote voeten, met zijn gulp open het bordeel binnen, hij voelt zich gegeneerd. Dat komt helemaal overeen met zijn leven, Baudelaire was een onvrijwillige exhibitionist. Wat hij ook deed, hij was bovenmatig blootgesteld, metafysisch geprostitueerd zou je kunnen zeggen. Als je van die droom uitgaat, zit alles erin.
De oorspronkelijke titel La Folie Baudelaire komt uit een artikel over nieuwe kandidaten voor de Académie française, van Sainte-Beuve. Calasso: ,,In zijn tijd begreep Saint-Beuve het best wat literatuur was. opvallend genoeg vermeed hij het te schrijven over de grote auteurs van zijn tijd, over Baudelaire heeft hij nooit een stuk gepubliceerd. Hij leed als hij met werkelijk groten werd geconfronteerd, vreesde hun betekenis. Baudelaire liet hij doorgaan voor een gewone, goeie jongen om zijn talent niet te hoeven erkennen. Het was een compliceerd man, een beetje pervers, perfide, pathetisch ook, maar een groot schrijver. Zijn roman Port-Royal is een van de grote boeken uit de Franse literatuur, maar nu vergeten. Dat is de wraak van de geschiedenis."
In de alinea die u citeert karakteriseert Sainte-Beuve  het werk van Baudelaire als 'een bizar bouwwerk op de uiterste punt van een als onbewoonbaar beschouwde landtong, rijkelijk gedecoreerd, getourmenteerd maar verleidelijk en mysterieus, waar men boeken van Edgar Allen Poe leest, (..) zich bedwelmt met hasj, waar uit tere porseleinen kopjes van opium wordt genipt'. Dat 'fraaie mozaïek van een harmonieuze originaliteit', dat 'romantische Kamtsjatka' noemt Sainte-Beuve 'la folie Baudelaire'. Waarom vindt u dat zo'n adequate omschrijving van Baudelaires oeuvre?
Het is precies wat de literatuur is geworden, het is de literature absolue, een plek die moeilijk toegankelijk is, ver weg van de sociale wereld, een bijna onleefbaar punt ver weg in Siberië.
Is dat voor de literatuur de plek par excellence?
Als je een allegorisch beeld moet geven van de literatuur na Baudelaire is het dit Kamtsjatka. In dat bouwsel bevond zich niet alleen Baudelaire, maar ook Rimbaud, Mallarmé en Proust. De cel, de met kurk beklede slaapkamer van Proust aan het eind van zijn leven - dat was zíjn Kamtsjatka. Sainte-Beuve had het helemaal bij het rechte eind, maar wat was het een angstige, laffe man.
Bevindt u zich, als uitgever en als schrijver van een associatief, uitdijend, onderling verbonden, lastig toegankelijk oeuvre, niet ook in een dergelijk Kamtsjatka?
Ja, dat zou kunnen, al houd ik me met die vraag niet echt bezig. Het is in ieder geval wat de literatuur is geworden. Als het anders was, zou ze me niet interesseren.
Waar bevindt die lieu absolue van de literatuur zich tegenwoordig?
Overal. Je hoeft niet naar Siberië te gaan. Er zijn niet veel grote schrijvers, schrijvers die écht belangrijk zijn. Het begint met Baudelaire en het eindigt met Kafka, sindsdien zijn er niet veel bijgekomen. De groten zijn eenlingen, mensen die wel een sociaal leven hebben - denk aan Nabokov, Borges -, maar in wezen leven in een onzichtbare luchtbel. Een kwestie van zelfbescherming. De lieu absolue van nu is overal. En ik verzeker u - erg druk is het er niet.


Roberto Calasso: De droom van Baudelaire. Vertaald door Els van der Pluijm. Wereldbibliotheek. 366 blz., prijs € 44,90

dinsdag 12 maart 2013

Over de Berberbibliotheek


Een caleidoscoop - dat is de eerste associatie met de boekomslagen van de Berberbibliotheek. Fel gekleurde sterren, dreigende wolken, golvende regenboogbanen, een kamelenkop, een schedel, een woestijnpaleis dat als je snel kijkt net een moskee is. Hier spat, zoveel is meteen duidelijk, een universum uit elkaar, hier vergaat een wereld in duizenden splinters.







En inderdaad, als de vier boeken die tot nu toe zijn verschenen in de Berberreeks iets gemeen hebben, is het wellicht dat. Alle vier vormen ze een stukje literaire verbeelding van de geschiedenis van de Berbers, de oorspronkelijke inwoners van Noord-Afrika. Brokjes historie, schuivende puzzelstukjes, verhalen vol geweld en gemankeerde levens, soms realistisch, vaak surrealistisch en hallucinatoir - maar heel blijft die wereld nooit. Er wordt gezworven, gezocht, gereisd, gevochten, er wordt gewroken en gevangen gezet. Van het ene ondoorgrondelijke verhaal val je in het andere, van de ene bizarre hoofdpersoon ga je naar de volgende, de ene queeste wordt gevolgd door weer een nieuwe. En ja, de berberwereld wordt verscheurd, raakt versplinterd, eeuwenlange tradities worden aangetast en verdwijnen, hoofdpersonen gaan op pad om nooit meer terug te keren, anderen keren terug en herkennen niets van wat ze achterlieten.

Onlangs verscheen Nedjma van de grote Algerijnse schrijver Kateb Yacine (1929 - 1989), verreweg de belangrijkste én de interessantste van de vier tot nu toe in de reeks verschenen titels: met Nedjma werd de Franstalige magrebliteratuur van vóór de onafhankelijkheid volwassen: Algerije kreeg een stem. Laat ik duidelijk zijn, het is een roman waarin je als lezer hopeloos verdwaalt, een boek dat irriteert en intrigeert. Maar in dat dolen, in dat dwalen ligt tegelijkertijd de betekenis van de roman. De personages, vier jongemannen die allemaal een oogje hebben op dezelfde beeldschone vrouw, cirkelen rond die ene historische datum, 8 mei 1945. Op die dag sloegen de Fransen een Algerijnse volksopstand bloedig neer en werden demonstranten, onder wie Kateb Yacine zelf, opgepakt, gemarteld en gevangen gezet. In die gevangenis werd hij schrijver. Nedjma, uit 1956, is zijn debuut. Het boek bestaat uit snippers, een verhaal dat vanuit verschillende perspectieven, in een ogenschijnlijk willekeurige volgorde aan elkaar is geplakt. Ieder personage leeft met een gemis, een verdriet, een lijden, in een persoonlijke gevangenis. Iedereen wordt bedreigd, ondermijnd, bestolen, onrecht aangedaan. Nedjma, de centrale vrouwelijke figuur, is knap maar ongrijpbaar, van onduidelijke afkomst en gaat een nog onzekerder toekomst tegemoet. Zij is de metafoor voor haar vaderland, dat iedereen wil bezitten - Europeanen, vaders, broers, buren. Het maakt Nedjma politiek en ideologisch, maar ook in literair opzicht tot een scharnierroman in de berberliteratuur. Meer nog, zou ik zeggen, het is een visionaire, universele roman die in haar quasi-onsamenhangende, versplinterde en wanhopig complexe structuur net zo goed de huidige ontwikkelingen in Syrië en zijn buurlanden weerspiegelt.
Tot zo'n roman hebben de andere drie auteurs uit de reeks zeker hun houding moeten bepalen. De boeken van Mohammed Khaïr-Eddine, Tahar Djaout en Ibrahim Al-Koni verschenen 30 à 40 jaar na Nedjma. Ze behoren tot een post-koloniaal, dus een heel ander tijdperk. De magrebschrijvers die in de jaren 70 doorbraken, horen tot wat wel de generatie van de verloren hoop en de desillusie wordt genoemd. Na de euforie van de onafhankelijkheid werden de hooggespannen verwachtingen van de nieuwe tijd de grond in geboord. De nieuwe politici bleken nauwelijks betere tijden te brengen dan de verafschuwde kolonisator. Hun desillusie vertaalden deze auteurs in een provocatieve literaire stijl waarin alle genres door elkaar lopen, in composities waar kop noch staart aan te ontdekken valt en waar het hard speuren is naar een rode draad. Ze bezingen de amazigh-cultuur en eisen voor hun Berberse identiteit een volwaardige, erkende plek op - naast de officiële Arabische. Hun werk zit vol met mythen en sagen uit de Berberse orale overlevering. Het leven na de koloniale onafhankelijkheid was er helemaal niet beter op geworden, het politieke bestel was compleet ontspoord.
Dat gold zeker voor Algerije, dat aan het eind van de vorige eeuw ten prooi viel aan gewelddadige fundamentalisen. Honderden intellectuelen werden vermoord, veel anderen vluchtten naar het buitenland. Een van hun eerste slachtoffers was de schrijver Tahar Djaout (1954 - 1993), een generatiegenoot dus van de inmiddels bekende Algerijnse auteurs Yasmina Khadra en Boualem Sansal. Met zijn werk maakte Djaout als het ware een röntgenfoto van het kwaad dat hij in zijn land overal om zich heen zag, hij maakte zich sterk voor vrijheid van religie en bekritiseerde, bijvoorbeeld in zijn roman L'invention du désert, het religieuze fanatisme. Zijn roman De bottenzoekers, uit 1984, ook een nu vertaald deel uit de Berberbibliotheek, zou je als een milde satire op de menselijke hypocrisie kunnen lezen: na het einde van de onafhankelijkheidsoorlog gaan er hele 'konvooien van skelettenzoekers' op pad om de botten te vinden van dorpsbewoners die in de oorlog gesneuveld zijn. De dorpen hechten eraan 'de overblijfselen van hun doden het graf te geven dat ze als eminente burgers verdienen'. Werkelijk? Zouden de botten van die helden wel echt terugwillen naar 'dat tirannieke dorp waar ze hun leven lang niet vrij hebben kunnen ademen?' Het zijn eerder de achtergebleven familieleden die straks die botten nodig hebben 'ter rechtvaardiging van de arrogantie en de eigenwaan die zij straks tentoon gaan spreiden op het dorpsplein'.



Het enige niet uit het Frans, maar uit het Arabisch vertaalde boek in de tot nu toe verschenen reeks is Goudstof van de Libische, in Zwitserland wonende schrijver Ibrahim Al-Koni (1948). Hij is Toeareg, groeide hij op in de Sahara en leerde op zijn twaalfde lezen en schrijven in het Arabisch. De anderen schreven, om verschillende redenen, in het Frans, paradoxaal genoeg de taal van de kolonisator. Ook Goudstof is allesbehalve realistisch: de allesverslindende passie tussen een man en een kameel is een verhaal dat aan elkaar hangt van dromen, mythen, waan en hallucinatie. De Sahara, het zand, het stof, 'de hete zuidenwinden', de slangen, de verborgen bronnen, truffels, djinns, fata morgana's - dat zijn Koni's échte hoofdpersonen. ,,Mijn boek gaat over een mythologische vriendschap", zei Koni bij een bezoek aan Amsterdam, ,,het is een ode aan het verloren paradijs". Volgens Koni hebben de Fransen in de jaren 50 en 60 de woestijn, het paradijs uit zijn jeugd, voorgoed vernietigd. Dat paradijs oproepen, verbeelden, uit de vergetelheid redden beschouwt hij als zijn missie.   
Ook de Marokkaanse schrijver Mohammed Khaïr-Eddine (1941 - 1995) was een man met een missie. Het boek waarmee de berberreeks begon, Leven en legende van Agoun'Chich - weinig toegankelijk al geldt het wel als zijn leesbaarste werk -, schreef hij toen hij na een verblijf van 15 jaar in Frankrijk naar zijn geboorteland terugkeerde. Terug naar de 'arganboom', symbool voor 'het bergachtige land dat door de legende wordt getooid met de eeuwenoude glans van mythes en mysteries'. De schrik moet hem bevangen hebben. Niets was er meer over van de eeuwenoude berberidentiteit. 'De eeuwenoude schoonheid van de dingen werd langzaam weggeknaagd door de modernisering'en de berbervrouw was niet langer 'hoedster van de verborgen betekenissen in de wereld'. Ontworteling en vervreemding rukken op, kijk naar 'de eeuwenoude amandel-, olijf-, vijgen- en dadelbomen in de Ammelnvallei' en zet die eens af tegen de 'moderniteit als een verdovende mode die uitsluitend draait om consumptie'. Tegen de achtergrond van het onderling verdeelde verzet tegen de Franse overheerser, schetst Khaïr-Eddine het leven van een gewelddadige bandiet die de moord op zijn zus wil wreken. Agoun'Chich is een een man die zwerft 'op de brandende rand van onbevredigde wraaklust', een wreker die 'net zo lang doorgaat tot hij al zijn vijanden heeft vermoord of zelf wordt gedood'. Voor de oude generatie is hij 'een rasechte Berber, zoals het huidige ras van slappelingen ze niet meer voorbracht. Hij belichaamde de voortreffelijkheid van hun streek: diasporisch en toch alom aanwezig, noodgedwongen zwervend, maar eeuwig strijdend voor absolute vrijheid.' Ook in de Berberreeks is literatuur altijd politiek.
Jonge berberzangers en componisten zijn 'de dichters van de Berberopleving', schrijft Khaïr-Eddine, 'zij weten hun cultuur te vermengen met trends van nu'. Berberrenaissance - de initiatiefnemer van de reeks, Asis Aynan, neemt, in zijn inleiding, hetzelfde woord in de mond, al voltrekt die zich volgens hem niet daar, in Noord-Afrika, maar híer in Nederland. Tussen 'de theorie en de legende' is er, schrijft Khaïr-Eddine, 'nog een kleine kier open voor de waan. We moeten dus luisteren naar de legende, zonder de historische gebeurtenissen weg te wuiven die ons inzicht kunnen geven in de schemerzone waar de verbeelding regeert'. Een moedig initiatief van de uitgever, die met deze reeks niet alleen de Hollandse ramen weer wijd opendoet en een paar fantastische auteurs introduceert, maar die ook durft in te zetten op de waan en de verbeelding - dwars tegen de dwingende, commerciële tijdgeest in.

In de Berberbibliotheek van Athenaeum - Polak & Van Gennep verschenen tot nu toe: Mohammed Khaïr-Eddine, Leven en legende van Agoun'Chich (met een voorwoord van Asis Aynan); Tahar Djaout, De bottenzoekers (met een voorwoord van Abdelkader Benali), en Nedjma van Kateb Yacine (alledrie vertaald door Hester Tollenaar die bij de laatstgenoemde titel ook een voorwoord schreef); en Goudstof van Ibrahim Al-Koni, vertaald door Jan Jaap de Ruiter (met een voorwoord van Gerbrand Bakker). 

vrijdag 1 maart 2013

Bij de dood van Stéphane Hessel


Afgelopen zomer was Stéphane Hessel bij een van de voorstellingen in het Festival d'Avignon. Toen hij, als elegante gentleman op leeftijd, de Cour des Pâpes binnenschuifelde en men in de gaten kreeg dat hij er was, ging er een spontaan applaus op. Er vormde zich een rij van bewonderaars van en naar de plek waar hij zat, halverwege de rijen in het eeuwenoude theater onder de open sterrenhemel. Ook in de pauze en na afloop van de voorstelling bleven de mensen toestromen. Een handtekening, een bewonderende reactie, een korte vraag.




Zo geliefd, zo bewonderd was de woensdagnacht op 95-jarige leeftijd gestorven oud-diplomaat, die na zijn pensioen aan een nieuw leven begon, een leven in de volle openbaarheid.
Het begon in oktober 2010 met een pamflet van 3 euro, een dunne, weinig imposante publicatie, met de titel Indignez-vous!, uitgegeven bij Indigène, een onbekend uitgeverijtje. Dat pamfletje werd de afgelopen jaren in Frankrijk alleen al meer dan 2,1 miljoen keer verkocht. Meer dan 40 vertalingen verschenen er buiten de Franse grenzen, in Nederland verscheen het boekje als Neem het niet!. Het was een aanklacht tegen het ongebreidelde (financiële) kapitalisme, dat in Hessels ogen een bedreiging vormde voor de vrede en de democratie.
Indignez-vous! was de hartekreet van een oud-verzetsstrijder, een oud-gedeporteerde, een schrijver en dichter die ineens een hele generatie jongeren bleek aan te spreken. Werkte hij in zijn jonge jaren mee aan de tekst van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948), nu gaf hij jongeren een programma, hij nam ze serieus, legde met de wijsheid van jaren zijn vinger op de wonde in de maatschappij.
Eindelijk iemand die niet alleen een richting aangaf voor daadwerkelijke verandering, maar ook nog een karrevracht ervaring en wijsheid wist in te brengen die in duidelijke taal werd verwoord. Hij riep de 'verontwaardigden' op op te komen voor immigranten, illegalen en zigeuners en de schadelijke mentaliteit van het  'altijd meer' (consumeren) een halt toe te roepen. Hij werd de stem van het nieuwe engagement. Zelf had Hessel zich onder meer ingespannen voor opvang van daklozen in Parijs. En hij leverde felle kritiek op Israël, waardoor hij in conflict kwam met joodse organisaties. Hessel, in 1917 in Berlijn geboren als Stefan, had een Duits-joodse vader.  
In 2011 verscheen Engagez-vous!, een interviewboek met Hessel en zijn autobiografie in meerdere delen, Tous comptes faits…ou presque, die ook hoge verkoopcijfers haalde. Daarna publiceerde Hessel opnieuw een handzaam boekje van 60 bladzijden, getiteld Le chemin de l'espérance, ditmaal in samenwerking met zijn oude 'strijdmakker', de Franse filosoof en socioloog Edgar Morin. Daarin schetsen ze de contouren van een nieuwe politiek en 'een nieuwe hoop': mondialiseren én démondialiseren was hun motto. Een jaar later riep Hessel, in Exigez!, op tot een wereldwijde nucleaire ontwapening.
Vooral  Indignez-vous! mobiliseerde mensen in vele landen: de 'verontwaardigden' (les indignés) zijn een begrip geworden. De Spaanse jongeren die in 2011 pleinen bezetten noemden zichzelf indignados. De afgelopen jaren leek de agenda van de hoogbejaarde Hessel op die van een popster. Zolang zijn benen hem wilden dragen, zolang zijn geest nog helder was en zolang hij nog invloed kon uitoefenen, reisde hij de wereld rond. Overal riep hij zijn toehoorders op zich werkelijk als burgers te gedragen, hun stem te verheffen en te protesteren tegen de groeiende kloof tussen arm en rijk, de miserabele toestand van migranten in Europa en de teloorgang van het milieu.   

dinsdag 12 februari 2013

Le grand Meaulnes verstript


Op 1 juni 1905 ziet de negentienjarige student Henri-Alban Fournier in Parijs een mooie jonge vrouw de trappen van het Grand Palais afkomen. Het is een coup de foudre, hij volgt haar naar de Boulevard St. Germain, waar ze blijkt te wonen en blijft haar huis dagenlang observeren. 'Wat bent u mooi!', fluistert hij haar in het voorbijgaan toe. Hij volgt haar naar de kerk, spreekt haar na de mis aan, excuseert zich voor zijn brutaliteit. Ze voeren 'une belle et mystérieuse conversation'. Een paar maanden later hoort Fournier dat ze diezelfde winter getrouwd is. Aan zijn vriend Jacques Rivière schrijft hij: 'Deze keer is alle hoop vervlogen. Ik weet het sinds gisteravond. De pijn, die ik op dat moment nog niet zo voelde, steekt nu in alle hevigheid op'.



Het zijn zinnen die acht jaar later bijna letterlijk zouden terugkomen in de roman die een van Frankrijks eeuwige bestsellers zou worden, Le grand Meaulnes (twee jaar geleden opnieuw in het Nederlands vertaald door Mario Molegraaf), avonturenroman en Bildungsroman tegelijk, vol sprookjesachtige weemoed, romantiek en verlangen naar een verloren liefde. Het boek verscheen precies 100 jaar geleden, kreeg net niet de prix Goncourt, maar werd wereldwijd door miljoenen mensen gelezen en enkele malen verfilmd. Onlangs verscheen het voor het eerst in een stripversie, van Bernard Capo, waaraan het Institut français d'Amsterdam nu een bescheiden tentoonstelling wijdt. Capo's stijl is klassiek, natuurgetrouw, precies, op het nostalgische af - en past zo qua sfeer wonderwel bij het boek. Capo tekent met pen op overtrekpapier, coloriste Marie-Paule Alluard brengt met de hand de kleuren aan, de tekstballonnen worden in kleurendruk toegevoegd.
Hoe komt het dat het boek tot op de dag van vandaag nog zo populair is dat het wordt verstript? Wat is er zo aantrekkelijk aan het verhaal van de vriendschap tussen twee schoolvrienden die in de loop van hun leven hun jongensdromen als een luchtbel uit elkaar zien spatten?Zit het hem in de sprookjesachtige setting van een kleine plattelandsschool, de spelletjes en rivaliteiten in het lieflijke landschap van de Berry? In de jarenlange zoektocht naar een meisje aan wie Meaulnes tijdens een bizar avontuur zijn hart heeft verpand? Ongetwijfeld. Wie een romantische geest heeft kan ook nu nog smelten voor de beschrijving van het magische, gekostumeerde kinderfeest op het kasteel waar Meaulnes terecht komt en treuren over zijn omzwervingen in een labyrint zonder draad van Ariadne. De lezer leeft mee met zijn boezemvriend, de verteller, die zijn geheim deelt en het begeerde meisje voor hem vindt - om haar weer te verliezen. Het blijft de roman bij uitstek van het getourmenteerde jongerenhart, verliefd, rusteloos, wanhopig op zoek naar de ander.
Honderd jaar geleden, in 1913, stond Europa aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, de wereld die men kende stond op het punt te verdwijnen. Fournier, bevriend met de dichter Charles Péguy, bewonderaar van de dichter-diplomaat Paul Claudel en de inmiddels zo goed als vergeten schrijfster Marguerite Audoux, trad niet in de voetstappen van de grote realistische negentiende-eeuwse romanciers Honoré de Balzac en Emile Zola. Zijn toon, zijn stijl, de sfeer die hij wilde oproepen waren eerder verwant aan de dichters en de romantici, Alphonse de Lamartine, Alfred de Vigny en vooral Gérard de Nerval. De beroemde kleine roman van Nerval, Sylvie uit 1853, lijkt voort te komen uit dezelfde bron van droom en fantasie en beweegt zich evenzo tussen sprookje en prozagedicht, in een verkenning van de  menselijke ziel.
Was Alain-Fourniers stijl voor zijn tijdgenoten al niet actueel of vernieuwend, een grotere de kloof tussen de hedendaagse adolescent en de verteller van Le grand Meaulnes is nauwelijks voorstelbaar. Alain-Fourniers personages houden hun emoties verborgen, veel blijft onuitgesproken. Het leven is langzaam en verstrijkt in zeeën van verveling. Besef van afstand, tijd en ruimte - niets is meer hetzelfde. Het boek beschrijft een wereld waarvan zelfs de laatste sporen zijn verdwenen.   
Juist daarom wordt het boek wellicht nog gelezen: Le grand Meaulnes is een literair lieu de mémoire, symbool van een voorbij tijdperk en een verdwenen Frankrijk, dat louter voortleeft in een romantisch collectief geheugen en alleen nog in literaire vorm kan worden gekoesterd. In hetzelfde jaar, 1913, verscheen het eerste deel van wat A la recherche du temps perdu zou worden, eveneens een poging vervlogen tijd, een verloren paradijs, te doen herleven.
Proust zou nog negen jaar krijgen om zijn meesterwerk af te ronden. Alain-Fournier stierf in 1914, op achtentwintigjarige leeftijd, bij gevechten om de Maas, een jaar na de publicatie van wat zijn enige roman zou blijven. Pas in 1991, 77 jaar later, zouden hij en 21 van zijn medesoldaten worden teruggevonden in een anoniem massagraf in de buurt van Verdun.

De strip verschijnt bij Casterman, € 16.



zaterdag 9 februari 2013

Villa Gillet presenteert de plannen voor de Assises du Roman 2013


Gisteren presenteerde de Villa Gillet in de boekhandel Les Minimes in Parijs haar plannen voor de Assises du Roman 2013, die dit jaar voor de zevende keer, in de week van 27 mei, in Lyon worden gehouden. Guy Walter, de bevlogen en energieke directeur van de Villa, nam het woord, samen met Raphaëlle Rérolle, journaliste bij het magazine van dagblad Le Monde en mede-initiatiefneemster van de Assises.


Weer zullen er grote schrijvers van uit de hele wereld spreken over actuele thema's, voor een publiek van vele duizenden bezoekers. 
http://www.villagillet.net/portail/air/actualites/
De Villa Gillet, die zich richt op 'recherches contemporaines' organiseert niet alleen de Assises du Roman, maar is ook heel succesvol in de VS, waar, samen met Amerikaanse partners jaarlijks een groot evenement wordt georganiseerd op het snijvlak van literatuur, filosofie en sociale wetenschappen. 
http://www.villagillet.net/portail/walls-and-bridges/actualites/
Uitgangspunt van alle activiteiten van Walter en zijn team is een sterk inhoudelijk programma en een intense samenwerking met relevante partners. Ieder jaar slaagt Walter erin nieuwe grote sponsors te vinden voor zijn activiteiten, een knap staaltje cultureel ondernemerschap.


Institut néerlandais sluit eind dit jaar

Een prachtig instituut wordt toch definitief opgeheven - hoe bestaat het...

http://www.nrc.nl/nieuws/2013/02/08/institut-neerlandais-moet-eind-dit-jaar-de-deuren-sluiten/
En dit is het persbericht dat Buitenlandse Zaken en de Fondation Custodia lieten uitgaan:
http://www.rijksoverheid.nl/nieuws/2013/02/08/nieuwe-opzet-culturele-activiteiten-frankrijk.html

dinsdag 5 februari 2013

Haasses échte prozadebuut: Kle(e)ren maken de vrouw




Deze week verschijnt er een herdruk van Kle(e)ren maken de vrouw van Hella S. Haasse. Het verscheen vlak na de oorlog, in 1947, en het boekje is daarmee Haasses allereerste roman. Het is haar échte prozadebuut, vóór Oeroeg, dat een jaar later verscheen. Haasse schreef het boek in opdracht, voor de serie Carrière-Boeken van C.V. Allert de Lange, een reeks over beroepskeuze voor  'het oudere meisje', waarin jonge vrouwen attent werden gemaakt op mogelijke toekomstperspectieven.



Het is, ook nu nog, een kostelijk boek, in de geest van Cissy van Marxveldt's Joop ter Heul. Lezers die vroeger hebben gesmuld bij de Pitty op kostschoolreeks van Enid Blyton, zullen hun hart kunnen ophalen. Net als Sterrenjacht is het geen echte roman voor volwassenen - lezers die dat verwachten zullen teleurgesteld worden. Kleren maken de vrouw is een verhaal over twee vriendinnen, Reina en Abbie, die samen een zolderkamer aan het Singel in Amsterdam delen. Reina, het belangrijkste personage, heeft talent voor naaien en ambitie in de mode. Probleem is dat ze haar kostje moet verdienen en geen tijd heeft  daarnaast haar ideaal te verwezenlijken. Als ze een avondjurk maakt voor een vriendin die is uitgenodigd in adellijke kringen, oogst deze zoveel succes met haar jurk dat Reina door een rijke dame een studie aan een modeacademie wordt aangeboden. Ze schrijft zich in, is heel talentvol, serieus en al snel de beste van haar jaargenoten. Haar talent roept de jaloezie op van een verwend meisje uit de hogere klassen, die haar op achterbakse wijze probeert te benadelen, maar Reina, met haar goede hart, slaagt erin vriendschap met haar te sluiten. Haar vrolijke vriendin Abbie werkt op een kantoor, verzorgt alle huishoudelijke taken, is goed in verstelwerk, steunt haar vriendin en ontmoet via haar de man van haar leven.
Hoewel het naar onze huidige begrippen  - hoe kan het ook anders - een vrij zoetsappig verhaal is, moet het boek jonge vrouwen van toen hebben aangesproken. Het is goed geschreven, beschrijvingen en dialogen volgen elkaar snel op, het is geestig en toegeschreven op jonge vrouwen die werk zoeken en idealen koesteren.
Haasse laat zien dat ze - dan al - een vakvrouw is. Haar verhaal heeft vaart en om haar beschrijvingen en dialogen kun je nu nog glimlachen. Psychologisch is het boek zwak. De enorme goedheid die Reina tentoonspreidt ten opzichte van haar rivale (ze vergeeft haar alles en redt haar en passant ook nog uit een bordeel), getuigt van weinig mensenkennis. 
Reina is de eerste literaire afspiegeling die we van Hella te lezen krijgen. Herma (de hoofdpersoon uit Sleuteloog) zal, vele decennia later, de laatste zijn. Wat voor personage is Reina van Holten? Een meisje van rond de 20, wonend in een kamer hoog in een pand aan het Singel, met uitzicht op een 'rij van bijzondere geveltjes: de barokke overdadigheid van een daklijst waarop twee levensgrote beelden van Minerva en Mercurius in een weelde van plooiende gewaden achteloos op hun ellebogen geleund lagen'. Een meisje dat als herkenningsmelodie voor haar vrienden'schel het beginmotief van Rachmaninoff's tweede pianoconcert fluit' en een bibliotheek bezit met 'de verzen van Leopold naast het kookboek, de Bijbel geflankeerd door Murder on the Orient-Express en Le Rouge et le noir van Stendhal, een wereldliteratuurgeschiedenis, en Rekel van Cissy van Marxveldt'. Aan de muur van hun kamer hangt een korenveld van Van Gogh en de Akeleid van Dürer. Een meisje, kortom, met een voorliefde en een eruditie die volledig overeenkomen met wat we weten van Hella op die leeftijd.
Reina is bovendien een meisje dat jong wees is geworden, is opgegroeid bij haar grootouders, tijdens haar studie kunstgeschiedenis lid is geworden van het AVSV en haar studie na de dood van haar grootouders heeft moeten opgeven.  Ze werkt sindsdien als verkoopster op de 'kunst-afdeling van een der grote modezaken', iets wat ze prettig vindt, want ze heeft 'een aangeboren behoefte aan een omgeving met aesthetische en mooie dingen'. Ze gaat vaak naar de Schouwburg, heeft vriendinnen aan het toneel. Ze schrijft uitstekende brieven, weet een goed gesprek te voeren, houdt ervan verhalen uit het verleden te horen en beweegt zich ook verder zonder moeite in de hogere kringen. De parallel met de schrijfster is overduidelijk. Bovendien is haar personage knap en trekt ze ongewild snel de aandacht van mannen die ze vervolgens weer van zich af weet te schudden. Ze spreekt niet van 'verliefdheid', maar van 'zielsverwantschap', ze houdt er niet van als er een 'schertsende flirttoon' tegen haar wordt aangeslagen, maar zoekt ' 'n prettig soort geestelijk contact'. Aan 'oppervlakkig-verliefd gedoe' heeft ze het lak, liever is haar met jongemannen een contact 'van mens tot mens' hebben. Ook dit past in het beeld dat we hebben van de Hella van toen.
Opvallend - zeker voor die tijd - is het dat Reina er niet van houdt als mannen 'meisjes met ambitie' niet 'au sérieux' nemen. Ze wordt driftig als een jongen die haar het hof maakt verkondigt dat meisjes niet moeten werken, maar 'er aardig uit (moeten) zien, 'n goeie smaak (moeten) hebben en gezellig (moeten) zijn'. Reina's weerwoord dat dat 'archaïsche theorieën' zijn en dat juist 'de meest aantrekkelijke meisjes diegenen zijn die het hardst studeren', komt haar op een beschuldiging van 'feministe!' te staan. Ze wil ook, als ze uitgaan, haar eigen financiële aandeel betalen, wat bij de heren niet in goede aarde valt.
Het boek eindigt met een mooie moraal, opgetekend uit de mond van Reina: 'Werk is altijd belangrijk (...). Je moet het zelf doen - je moet ervoor werken, voor vechten. Je krijgt geen roem of succes cadeau - je kan 't alleen maar máken door aan te pakken'. Reina/Hella geven daarbij beiden het goede voorbeeld.
Het boekje is inderdaad het prozadebuut van Hella S. Haasse, maar het serieuze werk, haar échte eerste roman, zou toch pas een jaar later verschijnen.