Zondag 11 november: lezing op het Bronbeek-symposium van de Werkgroep Indische Letteren. '20 juli 1938, de overtocht'.
Dinsdag 13 november: lezing over recente Franse literatuur op de Docentendag Frans, Nieuwegein.
Woensdag 14 november: uitreiking Erasmusprijs aan Daniel Dennett, Amsterdam
Vrijdag 23 november: interview met Spinozalenswinnaar Pierre Rosanvallon en Willem Schinkel, De Rode Hoed, Amsterdam
Woensdag 28 november, Institut Français, interview met Alexis Jenni, Goncourtwinnaar 2011
Donderdag 29 november, Dag van de Literatuur, interviews met Nelleke Noordervliet, Annejet van der Zijl, Peter Buwalda en Herman Koch
Vrijdag 30 november, moderating the workshop Dimensions in Culture, Getting smaller in Europe, Brussel
Zondag 2 december, interview met Cees Nooteboom, Amstelveen
zondag 4 november 2012
dinsdag 30 oktober 2012
Prix Goncourt 2012 - Wie zijn de kanshebbers?
Frankrijk is terug in
de Franse literatuur. Dat mag vreemd klinken, toch is het een belangrijke
recente trend. Waar de Franse romans de afgelopen jaren veelal naar het verre
buitenland keken, naar lang vervlogen tijden of juist naar de zieleroerselen
van het eigen 'ik', is Frankrijk nu, in alle opzichten, terug in de recente
literatuur. Franse wetenschappers, de Franse werkvloer, Franse oorlogen, de
Franse obsessie met Amerika, de Franse koe, de Franse broederschap met
Griekenland - allemaal thema's die terugkomen in de acht voor de prix Goncourt
2012 genomineerde romans. Samen geven ze een goed idee van wat Frankrijk momenteel bezighoudt.
,,Het lijkt er
inderdaad op dat schrijvers hun zelfhaat, de haat voor het vaderland, hebben
overwonnen", zegt Antoine Compagnon, hoogleraar Franse literatuur aan het
prestigieuze Collège de France, ,,er wordt weer over Franse zaken geschreven,
over oorlogen, conflicten uit de Franse geschiedenis. Misschien duidt dat erop
dat schrijvers hun schaamte over het Franse verleden, over het kolonialisme,
overwinnen". Vijf jaar na De
welwillenden van Jonathan Littell, bekroonde de Académie Goncourt vorig
jaar bijvoorbeeld al het oorlogspanorama van de biologieleraar Alexis Jenni,
waarin hij zonder schroom het Franse koloniale verleden fileerde.
Een van de twee
gedoodverfde favorieten voor de Goncourt van dit jaar, de roman Le sermon sur la chute de Rome, van
Jerôme Ferrari, raakt ook aan die gevoeligheden van het Franse kolonialisme. Ferrari
(1968) beschrijft het leven van enkele functionarissen in het ineenstortende
Franse koloniale rijk. Ze zijn 'niet gekomen om beschaving te brengen', - nee,
die hebben ze zelf niet eens gekend -, maar om eindelijk 'het leven te leiden
dat (ze) verdienen'. En nu zitten ze daar 'in dat koninkrijk van barbaarse
droefenis aan het uiteinde van het Imperium'. Hun vrouwen sterven, hun eigen
lichaam rot weg in het tropische klimaat van Indochina of Afrika. Rode draad in
het boek is het leven van twee jonge vrienden die hun studie eraan geven en op
Corsica, in the middle of nowhere, een bar openen. Hun ziel en zaligheid
stoppen ze in het runnen van die bar, als stonden ze aan het hoofd van een
imperium. Maar zoals imperia ten onder gaan, zo gaat ook de harmonie in het
Corsicaanse minikoninkrijkje scheuren vertonen. De titel – een enigszins pompeuze
vergelijking voor een drama in een Franse bar – refereert aan de preek van
kerkvader Augustinus over de val van Rome, in 410. De val en plundering van
Rome legt hij uit als een waarschuwing van God. Er hangt een doem over de
mensheid, suggereert Ferrari, de Apocalyps is niet ver meer. Enige
hoogdravendheid in thematiek en in taalgebruik kan Ferrari niet ontzegd worden.
Dat geldt zeker niet
voor de andere veel genoemde favoriet, Peste
& Choléra, de biografische schets van Patrick Deville. Het boek van
Deville (1957) gaat over Alexander Yersin, een Franse wetenschapper uit het
team van de beroemde microbioloog Pasteur en de uitvinder van 'yersinia pestis',
de pestbacil. Het is een van de boeken deze rentrée – en ook dat is een trend
in de recente Franse literatuur – die gebaseerd zijn op een wetenschappelijke
of technologische ontdekking. Fascinatie voor zo’n tastbaar onderwerp en
verbeeldingskracht gaan hand in hand. Dat doet Deville schitterend en zijn
portret van de man die als een komeet door de wetenschap schiet is origineel en
aanstekelijk. Ontdekkingsreiziger, bioloog, astronoom, geograaf, zeevaarder,
architect, brievenschrijver, de man die als eerste fietste, de pionier van de
rubberwinning – Yersin was het allemaal.
In korte, precieze zinnen, heen en weer springend in de tijd, zonder
psychologie en met veel humor kenschetst Deville zijn held. ‘Hij moet overal
altijd alles van weten’, schrijft hij over zijn
ondernemende wetenschapper die vond ‘dat je toch geen leven had, als je
niet onderweg bent’. En dan volgt er weer een nieuw verbluffend detail over
barometers of een relaas over het houden van kippen. ‘Wetenschap is, net als
poëzie, maar één stap verwijderd van de waanzin’, schrijft Deville ergens.
Ook in de andere
nominaties zit af en toe een flinke dosis waanzin. Menselijke obsessies, daar
wemelt het van. Neem bijvoorbeeld Pim, een Franse jongeman die er alles voor
over heeft om een goede boterham te verdienen. Slager wil hij worden, een
eerzaam beroep met toekomst: in Frankrijk, het land dat het Amerikaanse fastfood
van oudsher met argusogen bekijkt, zal men altijd houden van een goed stuk
vlees van eigen bodem. Stap voor stap neemt schrijfster Joy Sorman (1973) ons
mee in zijn opleiding tot slager, laat ons slachthuizen bezoeken en vrieskisten
bestuderen, stallen vol varkens en koeien – allemaal via het hoofd van Pim, een
slager in spe die zich volledig vereenzelvigt met de dieren die hij zo prachtig
leert uit te benen. Empathie en professionele ambitie vormen in deze roman een
origineel, vreemdsoortig, tot ontsporing leidend duo.
De werkvloer – dat is
ook het onderwerp van Ils désertent
van Thierry Beinstingel (1958): hoe te overleven in een bedrijf dat steeds een
steeds hogere produktie van zijn personeel eist, dat oudere werknemers de laan
uitstuurt en jonge ambitieuze vrouwen seksistisch behandelt? Vertrekken – de
titel geeft het al aan. Een prangende roman over de knellende economische
crisis en zijn directe gevolgen.
Drie romans uit de
Goncourtselectie komen dit jaar van buiten Frankrijks grenzen. Geen van hen
heeft het kaliber van ‘het nieuwe literaire bloed’ dat in de afgelopen jaren
regelmatig bejubeld werd. De van oorsprong Vietnamese Linda Lê (1963) blijft
met haar roman Lame de fonds bij haar
thematiek van exil, dood en schuldgevoel. De Frans-Griekse auteur Vassilis
Alexakis (1943) roept door de ogen van zijn oude alter ego een hele
caleidoscoop van literaire bewoners van het Parijse parc du Luxembourg tot
leven. Amerika tenslotte, het land waarmee veel Fransen een obsessieve relatie
hebben - positief of negatief -, is het onderwerp van de roman van de Zwitser
Joël Dicker (1985). De auteur heeft de principes van de Amerikaanse creative
writing goed bestudeerd: zijn boek heeft een snelle opening, een flinke dosis
suspense, verhaalt van een oude moord en een troebele liefdesgeschiedenis.
De wat mij betreft
beste roman van deze rentrée, een die de Goncourt ten volle zou verdienen, is Rue des Voleurs van Mathias Enard (1972).
Van deze schrijver met visie en engagement, die excelleert in variatie, stijl
en sterke onderwerpen, verscheen vorig jaar Vertel
hen over koningen, veldslagen en olifanten. Zijn nieuwe roman is de enige van
de acht nominaties die niet specifiek over Frankrijk gaat – en die toch staat in het hart van wat het land bezighoudt. Het
gaat over Europa, over de werkloosheid in Spanje, de toestand van Griekenland, over
de Arabische lente, de verhulde opkomst van het fundamentalisme op het Europese
continent, de positie van de vrouw in Noordafrikaanse landen en ook over
liefde, ziekte en trouw. Aan de hand van het parcours van een Marokkaanse
jongen neemt Enard Europa de maat. Het boek staat middenin de actualiteit,
verkent onze tijd, kijkt naar het leven van de gewone Europeaan, die het op de
achtergrond steeds harder hoort donderen. Wie ben ik en wie is die ander? Hoe
verder? Al deze vragen heeft Enard verpakt in een spannende, soms schokkende
roman met een volledig onverwacht einde.
Hoe de stemming tijdens
de laatste lunch van de jury, op 7 november a.s., zal uitpakken blijft, twee
weken van te voren, koffiedik kijken. De commerciële belangen zijn, in tijden
van crisis in het boekenvak, enorm. De machtige uitgeverijen in de
'galligrasseuil'-conctie zetten de juryleden flink onder druk. Gallimard had
vorig jaar de Goncourt, Le Seuil heeft al de Nobelprijswinnaar van dit jaar, de
geruchtenmachine over buitenliteraire criteria draait op volle toeren. Als
Patrick Deville op 5 november de prix Femina krijgt, dan is de kans groot dat de
Goncourt op 7 november voor Ferrari is. Of andersom.
Maar lees vooral Rue des voleurs van Mathias Enard.
Vassilis Alexakis;
L'enfant grec, 316 blz, Stock, € 20
Thierry Beinstingel:
Ils désertent, Fayard, 252 blz, € 19
Patrick Deville: Pest
& Choléra, Le Seuil, 220 blz, € 18
Joël Dicker: La Vérité
sur l'Affaire Harry Quebert, Ed. de Fallois/L'Age d'homme, 664 blz, € 27,50
Matthias Enard: Rue des
Voleurs, 252 blz, Actes Sud, € 21,50
Jérôme Ferrari: Le
sermon sur la chute de Rome, Actes Sud, 202 blz, € 19
Linda Lê: Lame de fond,
Christian Bourgois, 277 blz, € 17
Joy Sorman: Comme une
bête, Gallimard, 165 blz, € 16,50
In de reeks Découvertes
Gallimard verscheen een boekje over de geschiedenis van de prix Goncourt. 140
blz, € 14,70
woensdag 24 oktober 2012
Schrijven in het Syrië van nu
'Hij trok
aan mijn arm om me weer rechtop te zetten. Ik zag de aarde draaien en viel nog
een keer, toen hoorde ik zijn stem hen opdracht geven me naar huis te brengen.
Het puntje van zijn schoen raakte mijn neus toen ik op de grond lag. Het was
een glimmende, grote, moderne schoen'. Het zijn een paar regels uit Feux croisés, het dagboek dat de
Syrische romanschrijfster Samar Yazbek (42) bijhield van 25 maart tot 9 juli
2011, tijdens de eerste maanden van wat de Syrische lente moest worden. Als
schrijfster, journaliste en presentatrice van een tv-programma, bovendien
afkomstig uit een machtige, alawitische, pro-Assad familie, kiest ze de kant
van de opstandelingen - wat haar en haar dochter het doelwit maakt van islamisten,
veiligheidstroepen en fundamentalistische milities. Ze wil zien wat er in haar
land gebeurt, gelooft alleen wat haar vrienden haar via internet melden, neemt
taxi's naar de pleinen, ziet hoe bij pacifistische demonstraties mensen worden
afgetuigd, gearresteerd en vermoord. Zelf wordt ze opgepakt, bedreigd en
mishandeld. In haar boek neemt ze, behalve wat ze zelf ziet en ervaart, ook getuigenissen
op van anderen: een lange reeks van gruwelen. Heel concreet beschrijft ze hoe
Damascus 'een dode stad' wordt, hoe in enkele maanden het land waarin ze 40
jaar woonde en zijn inwoners onherkenbaar verandert. Haar dagboek getuigt van 'de
opstand van een vernederd volk dat zich wil ontdoen van het juk van het regime
en zijn waardigheid wil hervinden' en niets zal hen daarvan weerhouden. Yasbek
ontvlucht haar land, uitgeput en getraumatiseerd. Opgeven? Nooit.
Hoe harder
de repressie, hoe vastberadener de opstand - althans in de euforie van het
eerste jaar. De kunst bloeide op. In Syrië zie je ,,een explosie van
creativiteit", zegt ook Farouk Mardam-Bey, de in Syrië geboren uitgever
van de reeks Arabische literatuur bij Actes Sud. ,,Overal, in de steden maar
ook in de verre uithoeken van het land zie je jong talent tot ontplooiing komen,
in de literatuur, de schilderkunst, de film en de fotografie". Het Westen
weet maar weinig over de literatuur uit Syrië, er is zo goed als niets vertaald.
Tot de jaren '70 werd er voornamelijk poëzie geschreven, dichters zoals
Muhammud al Maghut waren sterren in hun eigen land, met hun optredens konden ze
een voetbalstadion vullen. Daarna werd het korte verhaal populairder en in het
kielzog daarvan de roman. Vuistdikke romans worden er sinds de jaren '70 geschreven,
veel gelezen binnen de Syrische grenzen, maar Westerse uitgevers vinden ze
onvertaalbaar: wie zou hier 1000 pagina's willen lezen van een compleet
onbekende Arabische auteur? Mardam-Bey: ,,het zijn romans die de geboorte van
een nieuwe heersende klasse in Syrië laten zien, over kleine boeren die
officieren worden en veranderen in absolute monsters - geschreven door heel
ambitieuze auteurs die hun werk geen letter willen inkorten".
Wie een
boek in Syrië publiceert krijgt met de zogenaamde 'triangle de l'interdit' te
maken, censuur als het gaat om religie, politiek en literair succes. De
gemiddelde oplage is zo'n 1000 exemplaren. De schrijver die een uitgever vindt
in Beyrouth of Caïro heeft kans om een groter lezerspubliek te vinden, buiten
de nationale grenzen.
De absolute
bestseller in de Arabische wereld is Het
Yacoubian van de Egyptische auteur Alaa el Aswany (meer dan 100.000 exemplaren verkocht in een land waar heel weinig
wordt gelezen), maar ook Taxi van
Khaled el Khamissy bereikte de bestsellerstatus. Beide boeken hebben
ongetwijfeld indirect een bijdrage geleverd aan de Egyptische lente: ze geven
kleurrijk en niet zonder humor, een beeld van het harde leven van 'gewone'
Egyptenaren - de eerste aan de hand van het wel en wee van de bewoners van een
groot gebouw in het centrum van Caïro, de ander in de vorm van een caleidoscoop
van verhalen die verteld worden aan een taxichauffeur in Caïro. De manier
waarop zijn klanten over overheidsdienaren spreken, verraadt enorme onvreden. De
eerste schrijver verdient zijn brood als tandarts, de tweede leeft van zijn
scenario's en zijn televisieoptredens. De reden? Piraterij. Geen boek dat
inmiddels niet op internet te vinden is. ,,Schrijvers accepteren dat",
zegt Mardam-Bey, ,,ze geven er zelfs toestemming voor, dan wordt het boek
tenminste overal gelezen". Het betekent tegelijkertijd het einde van de
censuur. ,,De censuur is anachronistisch geworden, uit elkaar gespat, auteurs
schrijven nu over alles, ook over onderwerpen die verboden zijn".
Wat er gebeurt in
Syrische gevangenissen is uiteraard zo'n onderwerp. Onlangs verscheen, in
Beyrouth en in Parijs, La coquille,
prisonnier politique en Syrie, van Moustafa Khalifé, een Syrische activist
en schrijver die 14 jaar gevangen zat en een huiveringwekkend getuigenis van
die periode in zijn leven publiceerde. In de jaren '80 verdwenen in de strijd
met dictator Hafez el-Assad veel aanhangers van het communisme en van de
Moslimbroederschap voor decennia de gevangenis in. De laatste jaren doen
schrijvers die dat aan den lijve hebben ervaren, verslag van die periode in de
geschiedenis.
Het zijn de ouderen,
die jarenlang de mond is gesnoerd, en de jonge, nieuwe generatie die nu
publiceren, zegt Mardam-Bey. Onlangs verschenen bijvoorbeeld Engelse en Franse
vertalingen van Les Plumes/The feathers,
een recente roman van de Koerdisch-Syrische schrijver Salim Barakat (1951,
Qamishli, Syrië), die al een groot oeuvre op zijn naam heeft staan. Wat als een
realistische roman begint (een Syrische vader stuurt zijn zoon naar Cyprus op
een missie) verandert al snel in een Beckett- Kafkaïaanse mengeling van
absurdisme, magisch realisme en het fantastische. Onrust, onbegrip, dreiging
van geweld. Een spiegel, lijkt het, voor de politieke situatie van de Koerden
en voorbode van de huidige opstanden.
De jonge generatie Arabische
schrijvers is vooral sociaal geëngageerd, ,,links en zonder dogma's", zegt
Mardam-Bey, ,,ze vermijden de ismes, hangen geen politieke doctrine aan". Opvallend
genoeg zijn velen daarvan vrouw. ,,Dat zie je in de hele Arabische wereld,
zelfs in de conservatiefste landen zoals Saoudi-Arabië". Neem het recente
nummer van Banipal, Magazine of Modern Arab Literature, een tijdschrift dat fragmenten
oorspronkelijk Arabisch proza en poëzie in het Engels vertaalt. Het laatste nummer is gewijd aan '12
women writers', met werk van onder
andere Huda al-Juhouri (Oman), Hawra al-Nadawi (Bagdad) en Maha Hassan (Aleppo,
Syrië). Het bevat ook een kort verhaal van Leila Aboulela (Soedan, van wie
onlangs ook een roman in het Nederlands verscheen). Zonder uitzondering brengen de verhalen het
leven van jonge vrouwen van nu in kaart: het is onderdrukking en onvrijheid wat
de klok slaat. De vertelster van Huda al-Juhouri krijgt van haar moeder te
horen dat ze 'noch slavin noch helemaal vrij' is en neemt haar toevlucht tot
lezen, want 'wie kennis zoekt is vrij van binnen'. Aboulela verhaalt van een
meisje dat goed kan leren, maar niet kan lezen wat er op het schoolbord wordt
geschreven. Haar vader weigert een bril voor haar te betalen: ze hoeft niet
slim te zijn om te worden uitgehuwelijkt. Hawra al-Nadawi en Maha Hassan (die
een tijd in Amsterdam woonde) worstelen buiten Syrië's grenzen met gevoelens
van onrust en buitenstaanderschap. De vertelster van al-Nadawi blijft een
'buitenlander' in Kopenhagen, die van Hassan is een eeuwige nomade op de
snelwegen van Frankrijk. Literair met een hoofdletter is het allemaal misschien
niet, wel geven die verhalen een levendig beeld van de problemen waar jonge
vrouwen in de Arabische wereld van nu én daarbuiten mee worstelen: ontsnapping
aan de mannelijke heerschappij, verboden liefde en seksualiteit, thuis-gevoel.
De romantraditie is
jong en dat merk je: de roman is grotendeels realistisch en uit - op zich
revolutionair - kritiek op de maatschappij vanuit het standpunt van het
individu. Wie schrijft, loopt risico. In een interview met deze krant vertelde de
Syrische schrijver en dichter Khaled Khalifa, uit Aleppo, een paar jaar geleden
dat hij de situatie van Arabische
schrijvers 'als een goudmijn' beschouwde, 'ze hebben zoveel materiaal - de
pijn, het leed - dat verteld moet worden'. Enkele maanden geleden woonde hij de
begrafenis bij van een vriend. Een groep milities kwam op hem af, tuigde hem af
en brak zijn arm. De Syrische cartoonist Ali Ferzat trof hetzelfde lot: zijn
vingers werden gebroken. Caricaturen van Ferzat zijn momenteel te zien in de galerie van het Prins Claus Fonds, aan de Herengracht in
Amsterdam. 'Ik wil niet extremistisch klinken', schrijft hij in de toelichting,
'maar Syrië is de geboorteplaats van de cultuur (..) Hier werd het alfabet
uitgevonden'.
Alle
kunstvormen spelen een actieve en betrokken rol in de opstanden: snel
aangebrachte graffiti met een revolutionaire boodschap, liederen die -
heiligschennis - ten gehore wordt gebracht vanaf een minaret, toneelteksten die
dan wel niet in Syrië zelf, maar wel buiten de grenzen op de planken worden
gezet. Mardam-Bey is optimistisch als het gaat om de literatuur. ,,Islamistische literatuur wordt er niet
geschreven, er is geen enkele dichter die vanuit het integrisme schrijft. Het
islamisme van vandaag is politiek, op macht gericht. Dat is betekenisvol: zonder
creativiteit geen toekomst!."
Bij alle
misdaden tegen de menselijkheid die de media ons iedere dag laten zien, lijkt
het erop dat er tegelijkertijd een enorme culturele, literaire energie
vrijkomt. Energie waarmee vastberaden wordt gezocht naar de expressie van een
nieuwe identiteit, van een ondanks alles hoopvolle toekomst - na de dictatuur.
Samar
Yazbek: Feux croisés. Journal de la Révolution syrienne. Buchet Chastel. Vert.
door Rania Samara, 204 blz. € 19
Moustafa
Khalifé: La coquille, prisonnier politique en Syrie. Actes Sud. Vert. door
Stéphanie Dujols, 334 blz. € 9
Salim
Barakat: Les plumes. Vert. door Emmanuel Varlet. Actes Sud. 345 blz. € 23,90
Banipal 44.
Magazine of Modern Arab Literature. 12 Women writers.
Prince
Claus Fund Gallery, Amsterdam, Culture in defiance, tot 23 november.
woensdag 17 oktober 2012
Onbekende brieven van Belle van Zuylen ontdekt
In het archief van de
familie Beelaerts van Blokland, in 2005 geschonken aan het Nationaal Archief,
zijn vier onbekende brieven van de achttiende eeuwse schrijfster Belle van
Zuylen aangetroffen. Een geweldige vondst - niet alleen omdat werd gedacht dat de
van haar bekende correspondentie, begin jaren '80 door uitgeverij Van Oorschot in
het Verzameld Werk uitgegeven, volledig was. Maar ook omdat de vier nu gevonden
brieven gericht zijn aan een jonge neef van de schrijfster, van wie niet bekend
was dat hij een briefwisseling met zijn beroemde tante, geboren van Tuyll van Serooskerken, had
onderhouden.
,,Goudstof", zegt
Hein Jongbloed, archivaris van het Nationaal Archief, die de vondst deed,
,,hier doe je het voor". In 2005 schonk jonkheer F.V. Beelaerts van
Blokland een grote hoeveelheid, ,,brieven, documenten en ander archiefmateriaal
verpakt in verhuisdozen, plastic zakken en kistjes" aan het Nationaal
Archief. Het instituut ontvangt wel vaker parcituliere archieven, maar dit was ,,een
zeldzame chaos, die eenmaal uitgepakt, maar liefst 23 meter plank vulde",
vertelt Jongbloed. In die meters bleken zich de meest uiteenlopende documenten
te bevinden: het huisarchief van de familie van Coelhorst (via baronesse van
Tuyll van Serooskerken in de verzameling documenten beland), documenten betreffende
vroege ertswinning op het eiland Billiton ten westen van Indonesië, maar ook
alle brieven die gepubliceerd waren in het Verzameld Werk - brieven waarvan sindsdien
niemand meer wist waar ze zich bevonden.
Ergens in die 23 meter
trof Jongbloed een paar handgeschreven velletjes aan, bijeengehouden door een
gelinieerd, geelverkleurd, dubbelgevouwen velletje, waarop met de hand was
geschreven: 'brieven aan C.L. de Tuyll van zijn tante'. Jongbloed bekeek de
velletjes, de lakzegels, las her en der een fragment, vroeg zich af ,,wie schrijft
dit?". Wat hij las verschilde enorm van wat hij tot dan toe onder ogen had
gekregen. ,,De meeste correspondentie uit de 18e eeuw is wijdlopig,
breedsprakig, het zijn eindeloos lange zinnen waarin bijna niets wordt gezegd.
Dit was anders. Hier springt iemand op je bureau. Ik zag het ook aan het
handschrift, men schreef toen met een ganzenveer en om zo soepel te kunnen
schrijven als deze briefschrijver moest het wel iemand zijn die dat heel veel
deed". Eén zin bracht opheldering:
'J'avois commencé un petit roman intitulé Henriette et Richard'. Degene die
ooit die kleine roman had geschreven, was niemand minder dan Belle van Zuylen.
Jongbloed: ,,Dan vlieg je naar de bibliotheek en ontdek je dat deze vier
brieven niet in het verzameld werk staan. Een sensatie".
Het bleek te gaan om
vier brieven van Belle van Zuylen aan haar jonge neef Carel Lodewijk van Tuyll
van Serooskerken (1784-1835). Het zijn, om meerdere redenen, fantastische brieven.
Ze bevestigen op een volstrekt tastbare manier het beeld dat we hebben van de
erudiete, wijze, op goede smaak en opvoeding gestelde, door de
Verlichtingsdenkbeelden beïnvloede en daarom nog steeds moderne schrijfster. Ze
zijn geestig, scherp en vooral - omdat ze tot een heel jonge, in de eerste
brief dertienjarige jongen zijn gericht - heel persoonlijk en direct.
Op 24 november 1797
antwoordt Belle op een (verloren gegane, eerste) brief van Carel Lodewijk:
,,Ja, natuurlijk weet ik van uw bestaan, beste neef. Uw moeder heeft de lof van
u gezongen, maar ik heb u laten opgroeien, met het vaste voornemen op een dag
kennis met u te maken'. Al in de eerste alinea schrijft ze aan de 13-jarige
alsof hij een volwassene is, waarbij ze niet schroomt actuele, politieke
uitspraken te doen: 'U wilt zeevaarder worden, dat is moedig, een roeping die
heel mooi was in ons land, toen we nog een echt land waren. De Prinsen van
Oranje (..) hebben bij ons niet die geest van onafhankelijkheid in stand
gehouden, die ons vroeger Hollander maakte, en geen Engelsman of Fransman'. Een
maand daarvoor was een groot deel van de Hollandse vloot in Engelse handen
gevallen. De Nederlanden beleefden juist in die jaren roerige politieke tijden,
waaraan Belle van Zuylen, als intelligente observator van haar tijd, vaak in haar
brieven refereert. In dezelfde brief aan haar jonge neef vertelt ze hem dat
Napoleon een kleine man is. 'Men denkt natuurlijk dat een groot man niet door
een normale deur kan (..). Het is bizar de man van die grote reputatie te zien
inkrimpen tot de man die hij in werkelijkheid, op ware grootte, was. Ieder moet
zijn eigen weg gaan en niet aan zijn roem denken. De Hollanders zijn daartoe,
van alle moderne volken, het meest in staat'.
Gezond verstand, voeten
in de klei, geen kapsones en hard werken. Dat is het beeld dat van Belles
denkbeelden uit deze vier brieven opstijgt. Ze raadt haar neef aan om scenes
uit de grote tragedies uit het hoofd te leren, om 'de exacte wetenschappen,
wiskunde, algebra en astronomie' te bestuderen. Hij moet de Engelse werkwoorden
'to have en to be' foutloos kunnen vervoegen, net zoals zijn oudere broer die
enige tijd bij haar in Zwitserland logeert. Leren, werken, studeren - het zijn
onderwerpen die ze al uitwerkte in een andere beroemde lange brief uit 1799,
gericht aan die broer van Carel Lodewijk, Willem-René van Tuyll-van
Serooskerken. Het is een brief die ook vandaag de dag een stevige impuls zou
kunnen geven aan de strijd tegen de zesjescultuur en graaimentaliteit: Werk, streef
niet naar beloningen, je afkomst zal er in de toekomst niet meer toe doen. Zorg
dat je een 'verlicht' man wordt. Lees de klassieken. Houd je verre van
eigendunk en onvervulbare verlangens. De vrouw is geen spat minder intelligent
dan de man, ze heeft alleen minder kans gehad om zich te oefenen. 'Do not avoid
to be taught', schrijft ze in oktober 1799 aan haar jonge correspondent.
Belle van Zuylen heeft
niet alleen oog voor de geestelijke, maar ook voor de lichamelijke conditie van
haar twee neven. De oudere broer laat ze tijdens de logeerpartij, 'voorzien van
een korset van kurk', zwemlessen nemen in het meer van Neuchâtel. Carel
Lodewijk vraagt ze in een brief waarom hij nog niet kan zwemmen, hij is notabene
'een man van de zee'! Als Carel haar schrijft dat hij van jagen houdt,
antwoordt ze zuinigjes: 'c'est fort bien, men heeft altijd gejaagd'. Vindt hij
het geen naar gezicht om die levendige konijnen gekneld te zien zitten in zo'n
val? 'Als ik alleen zou wonen, zou ik noch vlees noch bouillon tot me nemen',
schrijft ze, 'en als u mijn mening afkeurt, spreek, ik zal naar u luisteren'.
Het lijkt alsof Belle
van Zuylen deelneemt aan de gesprekken van vandaag - over ruim twee eeuwen
heen. Dat maakt de ontdekking van deze vier brieven inderdaad tot een sensatie.
Vanaf 28 oktober zijn
de vier nieuw ontdekte brieven digitaal te bekijken via www.gahetna.nl. De
andere 147 zijn na te lezen in het Verzameld Werk, uitgegeven door Van
Oorschot.
zaterdag 13 oktober 2012
Claude Lanzmann - ook een geweldig journalist
Drie jaar geleden
verscheen Le lièvre de Patagonie
(vertaald De Patagonische haas), de
autobiografie van Claude Lanzmann, de maker van Shoah. Het was een groots boek,
een ode aan het leven van een verzetsstrijder, een zoeker naar de betekenis van
het jood-zijn en een intieme vriend van de belangrijkste Franse denkers van de
20e eeuw. Onlangs publiceerde Lanzmann
een keuze uit zijn journalistieke werk, gepubliceerd tussen 1950 en 1970
- en weer ben je diep onder de indruk. Hoe komt het dat geen van die stukken,
een halve eeuw geleden geschreven, rimpels vertoont, ook al hebben ze
betrekking op gebeurtenissen die lang en breed voorbij zijn, op mensen die, als
ze al niet zijn overleden, in ieder geval niet meer dagelijks in de
schijnwerpers staan?
'In de jaren 50 ben ik voor
het eerst in Paestum geweest', zo begint Lanzmann zijn inleiding. 'Met Simone
de Beauvoir en Sartre brachten we er bijna een hele dag door (..). Naar Paestum
ben ik in alle fasen van mijn leven teruggegaan.' Bij dat bezoek aan de beroemde
ruïnes ten zuiden van Napels, wordt Lanzmann 'vol in het hart getroffen' door
'het graf van de goddelijke duiker', een fresco, afgebeeld op het buikbandje
van het boek, waarop een man van een zuil afduikt in een onduidelijke poel (de
dood?), met aan weerszijden gestileerde bomen. In die duiker, 'in de ruimte tussen leven en
dood', herkent Lanzmann zich, ook hij heeft zijn leven lang de noodzaak gevoeld
zich in de leegte te werpen, kop naar voren, de rest er rücksichtlos achteraan.
Letterlijk, door van hoge, gevaarlijke rotsen af te duiken én figuurlijk:
risico's nemen, kansen grijpen, nooit kiezen voor de veilige optie. Dát
verleent zijn leven eenheid, daar heeft zijn leven om gedraaid.
Het is - Lanzmann eigen
- wel wat hoogdravend en als het hem aan iets ontbreekt is het in ieder geval
niet aan zelfvertrouwen. Twintig jaar lang, voor hij Shoah maakte, schreef hij
om den brode. Hij publiceerde, onder zijn eigen naam en voor een habbekrats, in
Le monde en Les temps modernes. Maar zijn geld verdiende hij als 'rewriter',
'ghostwriter', hij herschreef stukken voor France-Dimanche en publiceerde onder
pseudoniem goedbetaalde portretten van sterren, in Elle bijvoorbeeld. Waarom
zou hij zich daarvoor schamen? Een mens moet eten en hij kocht er zijn vrijheid
en vrije tijd mee. Onder welke naam hij ook schreef en voor welk blad ook -
zijn stukken getuigen van zijn leven, van de eeuw die hij intens beleefde, dus
waar is het probleem? Staat het schrijven van een portret van een filmster voor
Elle op gespannen voet met een politiek geëngageerd pamflet voor Les temps
modernes? Onzin - zegt Lanzmann. 'De eenheid - die zit in mijzelf'. Híj is de
rode lijn, híj is de bindende factor, meer is er niet nodig.
Zo werkt het inderdaad.
De bundel bevat heel verschillende stukken, portretten, reportages, pamfletten,
open brieven, redevoeringen. Het verslag van een proces tegen een priester die
de vrouw die zwanger van hem was vermoordde, portretten van Charles Aznavour en
Jean-Paul Belmondo, de praktijken van de Franse politie ten tijde van de
Algerijnse oorlog, de reis van Mitterrand naar Israël, een analyse van Schindlers
list, een ode aan zijn moeder - je vindt het allemaal in La tombe du divin
plongeur.
Wat bindt die stukken?
Hoe komt het dat je ze allemaal wilt lezen? Door zijn prachtige, levendige
stijl en persoonlijke betrokkenheid. 'Als u hem zoekt, dan vindt u hem, zoals
ik heb gedaan, in Touquet, op een stormachtige dag'. Zo begint hij zijn schets
van Serge Gainsbourg, waarin hij laat zien hoe diens spetterende carrière tot
dan toe is verlopen, maar ook de afstand die hij neemt om alles eens rustig te
overpeinzen. Of de eerste regels van zijn stuk over de film Schindler's list: 'Ik heb achting voor
Steven Spielberg. Ik heb Indiana Jones
gezien, E.T., en ik houd van zijn films. Het is een filmvirtuoos. In ieder
geval kent hij zijn vak'. Je voelt al dat hij Spielberg in mootjes gaat hakken:
hoe kun je de Holocaust door de ogen van een Duitser laten zien, hij heeft er
niets van begrepen. Die 'ik' zit in ieder stuk en achter de 'ik' zit iemand die
weet waar hij naar toe wil, iemand die een hele sterke mening heeft en ons
daarvan wil overtuigen. Wordt Sartre aangevallen na de verschijning van Les
mots in 1964? Lanzmann verdedigt hem en laat even weten wie hij is: 'ik zoek
hem op zoals ik dat al 15 jaar 3 keer per week doe'. Kan de Franse politie zijn
handen wassen in onschuld tijdens de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd?
Lanzmann laat de vuile streken zien van 'le préfet Papon', die, aldus zijn stuk,
niets dan leugens verspreidt en Algerijnen door Algerijnen laat martelen en
verdwijnen, zodat het Franse blazoen onbesmet blijft. Een zeker cynisme is hem
niet vreemd: 'M. Papon is razend. Nu kon hij al meer dan een jaar in alle rust
martelen', waarna Lanzmann uit de doeken doet wat er roet in het eten heeft
gegooid.
Soms wordt Lanzmann
niet gedreven door woede of verontwaardiging, maar door lyrische bewondering. Voor
François Mitterand bijvoorbeeld. Diens reis naar Jerusalem in 1982 was voor hem
'een bevrijdende daad van dezelfde orde als de verschijning in 1945 van
Réflexions sur la question juive van Sartre'. Hoe moest je als jood die de
Holocaust overleefd had verder in een land dat joden had laten afvoeren en
vermoorden? 'Hoe nog naar hen te glimlachen?' Daarop had Sartre een antwoord
geformuleerd. Net als Mitterand, 30 jaar later, bij zijn bezoek aan het Holocaustmonument
Yad Vashem.
Een sterke persoonlijke
mening, zonder al te veel twijfel of nuance, enorme passie en gedrevenheid, in
een direct aansprekende stijl - dat is de kern van Lanzmann journalistieke werk
in deze bundel. Het is, net als zijn autobiografie, een strijd tegen het
vergeten.
Claude Lanzmann: La
tombe du divin plongeur. Gallimard. 438 blz. € 23,90
zondag 7 oktober 2012
Amitav Ghosh on freedom of speech and the position of writers in the world
Amsterdam, 7 October 2012. Yesterday, I had the
opportunity to speak for a while with the great Indian author Amitav Ghosh.
There are some quotes I would like to share:
,,Freedom of expression is
an issue, a profoundly serious problem. the way in which Rupert Murdoch
singlehandedly changed the discourse in the English-speaking world, his impact
on ideology and policy has been unbelievable. It's been very systematically done
and has had an enormous effect on public opinion, a desastrous effect. His organisation
has been at the side of climate-change denial. UK and the US are the countries
which lead by far the climate change denial.
It's all lead by the media. The media are now so much controled by
corporations, that's a very big problem.
For several generations
we have been accustomed to speak about freedom of expression in relation to the
state. The state is seen as the primary threat to freedom of speech. All laws are dedicated to this proposition. But look at what is actually the threat
to freedom of speech. Corporations require a non-disclosure agreements, nobody
in a corporation can speek. Automatically the great majority of people is
muzzled. Unless we have very strong wissleblower protection, where is your
freedom of speech? Secondly today, in India, democracy has become a
proliferation of identity groups, which decide that people cannot speak about
them. They are very effective. In Bombay the space for critique of certain
parties is zero, they would be attacked - physically. It happens all the time.
Here, in fact the state is the defender of freedom of speech. Addressing you to
the state is a 20th century thing, we are now in a different time: the state is
no longer the principal enemy of freedom of speech. The principal threat comes
from non-state actors. How to deal with that - that is the issue! Put pressure
on the state? Yes, but you have to start thinking about ways Human Rigths Watch
or PEN can intervene, which they do not do. PEN still wants me to sign this or
that, but that is not the issue anymore. They do not listen.
To my colleague-writers
I say: you are fighting yesterdays war. Writers around the world will not say
anything about religions. They are afraid, it has worked, the space for freedom
of speech has shrunk. The horses left the stable. We are dealing with different
kinds of threats, we don't know yet what to do, but we have to recognise the
problem.
As a writer of today
one feels much more alone than at any moment in the past. Absolutely alone. The
internet is so much down your neck, you feel exposed and threatened. Internet
and twitter are wonderful things, but they create an incredible pressure
towards conformity. I never wanted to get involved in the new media, but I
realised that it was inescapable. An imposter was tweeting in my name. And if
you are being attacked you have to be able to defend yourself."
vrijdag 5 oktober 2012
Jean-Philippe Toussaint - woord én beeld
Inspiratie is een
mythe, schrijft Jean-Philippe Toussaint in zijn meest recente boek L'urgence et la patience. Het gaat bij
het schrijven om twee hele andere begrippen: geduld en urgentie. Urgentie moet
je veroveren, het is een zoektocht, je moet ernaar toe werken, je
onderdompelen, heel diep gaan, het is als diepzeeduiken. Pas als je ver onder
het wateroppervlak bent, verdwijnt de herinnering aan bestaande personen en zie
je nieuwe schaduwen verschijnen. Pas in die duistere zone waar geen straaltje
zon meer doordringt, pas in die troebele wereld tussen feit en fictie heb je de
juiste afstand bereikt om de wereld opnieuw te scheppen. En dan nog: die ideale
situatie kan door het minste of geringste worden verstoord.
Diepzeebeelden,
zwembaden, stortbuien - water is een terugkerend thema bij de bekende
Franstalige schrijver die in 1985 debuteerde met zijn roman De badkamer. In
zijn debuut installeert de verteller zich permanent in zijn bad; in De
televisie ontmoet hij, naakt aan de oever van een meer, Cees Nooteboom, die hij
ongemakkelijk naar de eenden laat kijken; en in zijn meest recente vertaalde roman,
De waarheid omtrent Marie, regent het betekenisvol pijpestelen. Toch is Toussaints
werk allerminst druilerig, maar juist vrolijk, licht van toon, hilarisch en vaak op
het burleske af. In zijn
meest recente romantrilogie over Marie, waarvan het derde deel werd genomineerd
voor de Europese literatuurprijs, is een melancholieke ondertoon geslopen,
superieur en minimalistisch verwoord. De zoektocht naar de vrouw, het spel van
aantrekken en afstoten, kijken en aanraken - heel het magnetisch veld van
geduld oefenen en aanvoelen van de urgentie van het moment wordt ook bij
Toussaint met onuitgesproken verlangen gekleurd.
Toussaint is een
kunstenaar van het woord én van het beeld. Schrijft hij over zijn uitgever, de
inmiddels overleden Jérôme Lindon ontmoet, dan gaat het over diens kantoor,
zijn blik, zijn bewegingen. Beschrijft hij zijn liefde voor Beckett, dan gaat
het evengoed over het traject van bus 63, die heel Parijs doorkruist. Zijn
romans zijn filmisch. De plot is vaak in één zin samen te vatten (man sluit
zich op in de badkamer of man en vrouw gaan uit elkaar), maar de echte verhaallijn
die zich op je netvlies vormt is genuanceerd en niet in woorden te vatten. In
De waarheid omtrent Marie zitten onvergetelijke scènes, zoals die van het
personage Jean Christophe de G., die je na het bedrijven van de liefde een
hartaanval ziet krijgen. Of die van het renpaard dat, in de stromende regen,
ontsnapt en in het donker over de landingsbaan van Tokyo rent. Of het beeld van
de allesverwoestende brand in de stallen op het eiland Elba, dat ook in eerder
werk van Toussaint een rol speelde.
Onlangs kreeg de
schrijver van Musée het Louvre carte blanche om een zaal in te richten met
kunstwerken uit de eigen collectie. Hij creërde in de zaal waar het doorgaans
stemmig duister is een installatie van felgekleurde neonlichten, een ruimte van
Babel, met het woord 'boek' in twintig
talen (de talen waarin zijn werk is vertaald). Hij vroeg zijn
schrijversvrienden te poseren voor het beroemde schilderij van Fantin Latour,
Hommage à Delacroix. Ieder van hen liet hij bovendien fotograferen voor een
schilderij, dat volgens hem aan de betreffende persoon verwant was: Olivier
Rolin (auteur van De leeuwenjager) voor Jeune tigre jouant avec sa mère van
Eugène Delacroix, Jean Echenoz voor het zelfportret van Nicolas Poussin en
Pierre Bayard voor het portret van Denis Diderot van Jean Honoré Fragonard.
In een glazen
douchekabine even verderop zat een man te lezen, badmuts op, elektroden op zijn
hoofd, verbonden met een enorm beeldscherm dat zijn hersenactiviteit tijdens
het lezen weergaf. Fel rood en geel gekleurde vlakken à la Rothko schoven in en
uit elkaar, grillige vormen gaven aan hoe de hersenen reageerden op de gelezen
tekst.
Onzin natuurlijk,
helemaal fake. Maar ook net echt, want onderzoek naar hersenen en leesgedrag
deed Toussaint wel degelijk. Het maakt hem tot het prototype van de nieuwe
schrijver: een die niets van inspiratie moet hebben, maar een die de mythe van
de schrijver op alle mogelijke multimediale manieren vorm geeft en uitdraagt - niet
zonder zelfspot, speels en vernieuwend.
Jean-Philippe
Toussaint, De waarheid omtrent Marie, vertaald door Marianne Kaas, Prometheus,
199 blz, prijs € 19,95
L'urgence et la
patience, Minuit, 107 blz, € 11
La main et le regard,
Livre/Louvre, Louvre Editions, 217 blz, € 29
Abonneren op:
Posts (Atom)